Selecteer een pagina

De Ålandarchipel

Terug naar: Steensoorten   –   Aland en Finland

a. Alandarchipel en Finse vasteland   –   b. Aland aplietgraniet   –   c. Aland aplietporfier   –   d. Aland granofier   –   e. Aland granietporfier   –   f. Aland kwartsporfier algemeen   – g. Aland kwartsporfier gesteentemonsters   –   h. Aland kwartsporfier zwerfstenen   –   i. Aland graniet   –   j. Aland graniet miarolitisch   –   k. Aland rapakivi algemeen   –   l. Aland rapakivi gesteentemonsters   –   m. Aland rapakivi zwerfstenen   –   n. Ava graniet   –   o. Haga graniet   –   p. Lemland graniet   –   q. Måsshaga graniet   –   r. Prickgraniet   –   s. Pyterliet   –   t. Monzonitische randfacies   –   u. Rapakivi graniet porfierisch   –   v. Viborgiet

 a. De Ålandarchipel en het Finse vasteland. 

“Rapakivi” is een Fins woord. Het betekent zoiets als “korrelige” of “brokkelige” steen. Dit betekent, dat we hier niet met een harde steensoort maar met een “zacht” gesteente te maken hebben. Een gesteente, dat gemakkelijk kapot is te slaan en snel verweert.
De rapakivigesteenten van de Ålandeilanden en Zuid-Finland zijn vanaf ongeveer 1,6 miljard jaar geleden in de aardkorst op de plaats van de huidige Ålandseilanden en Zuid-Finland gevormd. In die tijd was de aardkorst daar op enkele tientallen kilometers diepte, heter dan dat tegenwoordig het geval is. Het gevolg was, dat gesteente op die diepte kon smelten en er enorme hoeveelheden gloeiend hete magma ontstonden. Deze hoeveelheden magma koelden heel langzaam af, waardoor de verschillende mineralen goed konden uitkristalliseren en er grote veldspaten van kaliveldspaat ontstonden. Elk der gestolde batholieten leverde een eigen type gesteente.
Het bleef na de stolling echter onrustig in de aardkorst en men denkt dat er verschillende perioden van opsmelten en stollen zijn geweest, waardoor de speciale textuur van de rapakivi’s is ontstaan. Enkele verschijnselen vallen bij dit bijzondere gesteente extra op.

In de eerste plaats zijn dat de vaak ovale veldspaten. (Ovoïden) Dit is een zeer bijzondere vorm en de stolling moet dan ook onder bijzondere voorwaarden hebben plaatsgevonden.
Hetzelfde geldt voor de plagioklaasringen om de veldspaten. In gewone omstandigheden kristalliseert de plagioklaas voor of tegelijk met kaliveldspaat. De plagioklaas komt dan voor als insluitsels in de veldspaten of in de grondmassa tussen de veldspaten. Een ring van plagioklaas om de veldspaten heen is dan ook heel bijzonder. Te meer nog, omdat er ook kaliveldspaten zijn waarbij de ring ontbreekt.
Geologen hebben voor het ontstaan vrij ingewikkelde verklaringen, die we hier verder buiten beschouwing laten.
Lang na de vorming van de rapakivi’s in de aardkorst kwamen bovenliggende gesteenten en rapakivi’s door werking van de aardkorst (gebergtevorming) omhoog Na de vorming begon zoals gewoonlijk, gelijk de afbraak van het gebergte door erosie. Door de weersomstandigheden sleten de bergen heel langzaam af en zo kwam na miljoenen jaren het enkele tientallen km dikke rapakivipakket in al zijn soorten en vormen aan het aardoppervlak. Tijdens de IJstijden namen de gletsjers gedeelten van het pakket mee naar andere gebieden en zo kwamen grotere en kleinere stukken rapakivi ten slotte ook in de noordelijke helft van ons land terecht.
1,6 miljard jaren geleden waren de gesteenten die de Ålandgesteenten omringen al enkele honderden miljoenen jaren oud. Hierdoor vinden we in de gesteenten van Åland geen deformatieverschijnselen zoals suikerkorrelige kwarts en uitwalsing van mineralen.

b. Ålandaplietgranieten (1,6 miljard jaren)

Ålandaplietgranieten komen als grote en kleine aders voor in alle rapakivimassieven op de Ålandseilanden. Het meest schijnen ze echter voor te komen ten zuiden van Mariehamn. Ålandaplietgranieten zijn gesteenten met een fijnkorrelige grondmassa, die over het algemeen geelrood, rood of bruinrood van kleur is. Lichtgekleurde typen komen het meest voor. De grondmassa bestaat uit granofierische vergroeiingen van kaliveldspaat en zeer kleine langwerpige, gebogen kwartsjes. Ook komen over het algemeen kleine ronde of hoekige kwartsjes voor. Deze kwartsjes zijn vaak donker van kleur zoals in de meeste gesteenten van Åland, maar er komen ook typen voor met veel lichter gekleurde kwarts.
Plagioklaas komt sporadisch voor. Biotiet ligt gewoonlijk in kleine vlekjes over het gesteente verspreid. Verder kunnen kleine hoeveelheden groene epidoot of zwartgroene chloriet voorkomen Er zijn allerlei overgangen van apliet naar graniet en aplietporfier.

Foto: Aland aplietgraniet. Porfierisch. Omg. Waskemeer.

c. Ålandaplietporfier. (1,6 miljard jaren)

Porfieraplieten komen op verschillende lokaties voor op zowel de Ålandseilanden als het Finse vasteland. Er zijn wat verschillen tussen de stenen uit deze twee herkomstgebieden maar soms is plaatsbepaling moeilijk. Porfieraplieten kunnen er heel verschillend uitzien, maar ze zijn over het algemeen goed herkenbaar. De kleur variëren tussen grijs (Finse Ytöapliet), bruingeel, geelrood tot baksteenrood. (De kenmerkende kleur van veel Ålandgesteenten. De grondmassa bestaat uit een fijnkorrelige massa van soms nauwelijks zichtbare, met elkaar vergroeide kaliveldspaat en kwarts, die soms suikerkorrelig lijkt door de glasheldere kleur. In deze grondmassa liggen een over het algemeen gering aantal lichtgekleurde en soms roodachtige veldspaten, die nog al in grootte verschillen. De meeste hebben een aantal donkergekleurde insluitsels. Sommige van deze veldspaten hebben een roodachtige plagioklaasring, die bij de roodgekleurde veldspaten een iets andere kleur heeft dan de veldspaten zelf. Stenen van Åland hebben over het algemeen ronde of afgeronde veldspaten. Die van het Finse vasteland zijn vaak rechthoekig en hebben minder vaak een gehele of gedeeltelijke plagioklaasring. Behalve in de ringen, komt plagioklaas weinig voor.
Vrije kwartsen komen voor in wisselende hoeveelheden. Meestal zijn ze rond van vorm. Biotiet komt, verspreid over het gesteente, vooral voor in schubjes en vlekken. Soms ontbreekt biotiet bijna helemaal.

d. Ålandgranofier/Oost-Baltische granofier.

Ålandgranofieren zijn een vorm van Ålandgranieten. Ook is het rapakiviachtige karakter duidelijk zichtbaar. Het voornaamste kenmerk van deze geelrode tot grijsrood gekleurde stenen is, dat de grafische vergroeiingen van kwarts en kaliveldspaat in de grondmassa, duidelijk zichtbaar moeten zijn. Deze vergroeiingen kunnen dusdanig mooi gevormd zijn (rosetten, waaiers), dat er sprake is van een fraai opvallend gesteente.
Ålandgranofieren zijn fijn tot middelkorrelige gesteenten met in de grondmassa weinig biotiet en plagioklaas. Soms komen holteopvullingen voor met kwarts en veldspaat.
Er komen in het gebied van de Botnische Golf meer soorten granofieren voor. Van der Kley beschrijft deze roodgekleurde granofieren als Botnische Golf-granofier. Ook Zandstra (1988) wijst erop, dat er
vergissingen kunnen optreden bij de determinatie van granofieren uit dit gebied, omdat er in de Botnische Golf en Ångermanland ook granofieren voorkomen. Hij raadt aan, om bij twijfel te spreken van Oostbaltische granofier.

e. Ålandgranietporfier.

Granietporfier is een overgangstype tussen graniet en porfier. Dit soort gesteenten komt voor aan de randen van de massieven. Het voornaamste kenmerk van de granietporfieren is, dat met een loep alle mineraalkorrels van de grondmassa herkenbaar moeten zijn.

f. Ǻlandkwartsporfier. Algemeen. 

De porfieren van Åland komen vooral voor langs de randen van de (rapakivi)granietmassieven. Dit geldt met name voor de zuidelijke en westelijke randen. De afkoeling ging hier sneller, waardoor porfieren ontstonden. Ook in gangen ontstonden porfieren. Verder zijn er overgangen tussen graniet en porfier. Vaste rotsen vinden we eigenlijk alleen maar aan de westkant van de Åland eilanden. Het aantal zwerfstenen is echter legio. Dit houdt in dat de rotsen tijdens de ijstijden grotendeels afgeslepen moeten zijn of er moeten een aantal onbekende voorkomens zijn. Bijv. in de zee.De kleur van de grondmassa van Ålandkwartsporfieren varieert tussen rood en bruin. In het veld vallen de stenen vaak al op door hun verweringskorst. Men ziet dan vaak een groot aantal witverweerde eerstelingen van kaliveldspaat in een bleekrode grondmassa. De grootte van de veldspaten varieert. Ook de talrijke, ronde of afgeronde donkergrijze tot bijna zwarte kwartsen zijn aan de buitenkant van de stenen opvallend.

 

Op een zaag- of breukvlak zijn de kaliveldspaateerstelingen rood of geelbruin van kleur. Ze zijn meestal rond of afgerond rechthoekig. Vaak zijn ze ze niet groter dan 1 cm. De veldspaten zijn gebroken (A) en hebben bovendien vaak kleine insluitsels van kwarts (B). Soms hebben enkele grote veldspaten een ring van grijze plagioklaas, waardoor de steen wat op een rapakivi lijkt. Ook rode plagioklaasranden komen voor (C). De talrijke tot 1 cm grote, ronde grijze, blauwachtige tot bijna zwarte kwartsen zijn opvallend. Ze vertonen gewoonlijk barsten, die van het midden naar de randen lopen. Vaak zijn deze barsten gevuld met roodachtig materiaal uit de grondmassa (D). Deze slieren zijn ontstaan doordat bij een nieuwe opsmelting vloeibaar grondmassa materiaal in de kwartsen is binnengedrongen. En noemt dit “corrosie” en “gecorrodeerde kwartsen”.

Behalve de ronde grote kwartsen vinden we in verschillende typen in de grondmassa zeer kleine kwartsjes (E, F), die het rapakivi karakter van het gesteente nog eens onderstrepen.
Plagioklaas komt zeer weinig voor, evenals donkere mineralen als biotiet en hoornblende. Zo nu en dan ziet men wat chloriet.
Kwartsporfieren van Åland kunnen gemakkelijk worden verwisseld met exemplaren van Rödö en omgeving. De stenen van Åland hebben over het algemeen echter meer eerstelingen en de kleur van de kwartsen is vaak iets lichter. De kleur van de grondmassa is in de porfieren van Rödö vaak iets roder. Absolute zekerheid over de herkomst kunnen deze kenmerken echter niet geven. Verder is nog verwisseling mogelijk met bepaalde porfieren uit het Ragundagebied.

g. Ǻlandkwartsporfier gesteentemonsters

Op het schiereiland Hammarudda (Stenige landtong) en het eilandje Störbroskar, westelijk van Mariehamn komen fraaie kwartsporfieren voor, die uiteraard dezelfde hoofdkenmerken hebben als de andere Ålandkwartsporfieren. Er zijn hier eigenlijk twee hoofdtypen. Het eerste type heeft een rode tot roodbruine grondmassa. De grondmassa van het tweede type is duidelijk donkerder bruin. Beide typen hebben over het algemeen vrij grote tot grote kaliveldspaten die rood, geelrood of grijsrood van kleur zijn. Deze veldspaten hebben nog al eens een rode rand.  (Hierboven twee foto’s van Hammarudda. De bruin/rode kleur is duidelijk zichtbaar. 

h. Ǻlandkwartsporfier zwerfstenen.

i. Ålandgranieten

Een gesteente met zeer veel verschillende variaties. De voornaamste vorm van Ålandgraniet is eigenlijk een rapakivi zonder ogen. Ook deze granieten behoren tot de rapakivigesteenten omdat er in deze stenen twee generaties kwarts en kaliveldspaat voorkomen. De eerste generatie kwarts en veldspaat bevindt zich in de grondmassa, de tweede generatie kwarts toont zich als zelfstandige korrels, de tweede generatie kaliveldspaat als ovoïden of veldspaten. Ålandgranieten hebben over het algemeen een roodbruine en soms geelbruine, fijnkorrelige grondmassa. Behalve de reeds genoemde donkere kwartsen liggen in deze grondmassa meestal verspreid nog enige kaliveldspaten, die vaak dezelfde kleur hebben als de grondmassa. Meestal ontbreekt de plagioklaasring om de grote kaliveldspaten. Plagioklaas, biotiet en hoornblende komen vaak weinig voor, maar er zijn ook typen waarin meer plagioklaas of biotiet voorkomt.
Soms is er in de stenen sprake van z.g. “miarolitische holten”.

9. Alandgraniet. Emmerschans.

Een steen met onduidelijke grafische vergroeiingen. Veel plagioklaas is roodgekleurd. Het vormt ringen om kleine veldspaten.

10. Detail van 9.

Pijl A toont kwarts van de 1e generatie, B een rode plagioklaasring, C een kristal van rode plagioklaas, D witte plagioklaas en E een biotietnest.

j. Ålandgraniet (miarolitisch)

Zowel Ålandgranieten als Ålandaplieten hebben soms miarolitische holten. Steen 1 heeft een duidelijke granietische grondmassa. Miarolitische holten ontstaan, als de kristallisatie wordt onderbroken. Gaat na de onderbreking de kristallisatie verder, dan ontstaan er een tweede generatie kwartsen en veldspaten, waarbij de laatste kristallen de beschikbare ruimte niet helemaal opvullen, zodat er openingetjes blijven ontstaan tussen de goed uitgekristalliseerde kwartsen en veldspaten.

k. Ålandrapakivi´s algemeen.

Ålandrapakivi´s zijn opvallende en bijzondere stenen. De kleur is over het algemeen bruinrood, De ovale ovoìden) zijn vaak omgeven door een ring van plagioklaas. Deze ring is meestal grijs, maar kan ook rood of donker gekleurd zijn. Voornaamste kenmerken zijn de twee generaties kaliveldspaat, in de ovoïden en de grondmassa en de twee generaties kwarts. Als zelfstandige korrels en grafisch vergroeid met de grondmassa.
De kleur van de kwarts is meestal grijsachtig. Soms blauw. Ålandrapakivi’s vertonen nogal eens rode vlekken. Het exacte gebied van herkomst is vaak moeilijk vast te stellen vanwege de vele overgangen. De plagioklaas is meestal wit, maar kan ook groen- of roodachtig zijn.
We tonen de de rapakivi-kenmerken met behulp van de twee detailfoto’s hierboven.
Hier de foto’s.
Pijl A toont een Ovoïde van roodgele kaliveldspaat. De kaliveldspaat binnen de ovoïden is gestold tijdens de eerste fase van het stollingsproces.(1e generatie) Pijl B toont roodachtige kaliveldspaat in de grondmassa. Deze kaliveldspaat is gestold in een latere fase.(2e generatie)
De pijlen C tonen plagioklaasringen om de ovoïden. De plagioklaas verschilt van kleur, nl. rood en iets groenachtig. Pijl D toont een vrij plagioklaasmineraal in de grondmassa.
Pijl F toont een kwartskorrel van de 1e generatie. Deze kwartskorrel stolde voor de kwarts uit de micropegmatitische vergroeiingen uit de grondmassa. Pijl E toont deze kleine kwartsfiguurtjes van de 2e generatie.
Als de twee generaties kaliveldspaat en kwarts niet in een steen aanwezig zijn, dan hebben we niet te maken met een rapakivigesteente.
We tonen een aantal rapakivi’s in twee gedeelten. In hoofdstuk L tonen we een aantal stukken vaste rots van de Åland eilanden. In hoofdstuk M een aantal zwerfstenen.

l. Ǻlandrapakivi gesteentemonsters.

9. Ålandrapakivi Listerby Vardö.

Het kleurverschil tussen de rode ovoïden en de grondmassa is klein. De plagioklaasringen zijn onopvallend.

10. Detail van foto 1.

Pijl A toont grafische vergroeiingen kwarts en veldspaat. Pijl B toont een reactierand. De rode plagioklaasrand is erg onopvallend.

m. Ǻlandrapakivi zwerfstenen.

13. Ǻlandrapakivi. Frydendal. Als. Dk.

Ook aan de buitenkant is de steen goed herkenbaar. Hij behoort bij het zelfde type als steen 4.

14. Ǻlandrapakivi. Mommark. Als. Dk.

Mommark. Als. Een steen met deels rode ovoïden. Door deze kleur zijn de rode randen bijna niet meer zichtbaar.

15. Ǻlandrapakivi. Sarup Strand. Als. Dk.

Een type met rode plagioklaas. Ook een dergelijk type is in onverweerde toestand aan de buitenkant goed herkenbaar.

16. Ǻlandrapakivi Sarup Strand. Als. Dk.

Een type dat ook in Nederland veel voorkomt, vooral op de Hondsrug.

n. Åvagraniet.

Grofkorrelige graniet uit het noordoostelijk deel van de Ålandeilanden met grote breedrechthoekige, perthitische veldspaten. Deze veldspaten zijn Karlsbader Tweelingen. Kwarts glasachtig of zoals in nr.2 en nr. 3 blauwachtig. Kwarts en biotiet liggen in slieren rond de grote kaliveldspaten en de hoeken tussen de veldspaten. Het gehalte aan gele titaniet is opvallend. Volgens Zandstra (1988) komen in de randzones typen voor met een rode plagioklaasring. (Zie nr. 3)
Plagioklaas komt zeer weinig voor.

o. Hagagraniet. (1,6 miljard jaren)

Hagagraniet is vooral afkomstig van het hoofdeiland van de Ålandeilanden. Het komt op meerdere plaatsen voor. Ook als zwerfsteen wordt het regelmatig gevonden. Hagagranieten bestaan vooral uit (perthitische) kaliveldspaat en kwarts. De kleur van de kwarts varieert van grijs tot wat bruinachtig. De idiomorfe kwartsen hebben duidelijk hoekige omtrekken.(Foto’s 2, 4) Hieraan zijn de Hagagranieten goed te herkennen. Deze kwartskorrels liggen wat in klonters in kransen rond de veldspaten.  Plagioklaas is over het algemeen niet veel aanwezig. (Foto 2) Er is weinig biotiet. Deze biotiet ligt gewoonlijk wat onregelmatig over het gesteente verspreid. Een ander verschil met veel Ålandgesteenten is, dat fijngrafische vergroeiingen ontbreken. Zoals de voorbeelden al tonen, varieert de kleur van witgeel tot bruinrood.

p. Lemlandgraniet. (1,8 miljard jaren)

Lemlandgranieten komen van het zuidelijk deel van de Ålandeilanden. Het zijn vaak wat porfierisch aandoende stenen. Dit vanwege de opvallende, lichte veldspaten, die vaak worden omgeven door een soms wat onduidelijke donkere zoom van plagioklaas. Deze veldspaten hebben een eigen vorm (idiomorf) en zijn perthitisch. Dit is duidelijk te zien aan de rijtjes plagioklaas in de kaliveldspaten (bijv. foto’s 5 en 6)
De grondmassa tussen de veldspaten bestaat uit donkerrode plagioklaas, (een belangrijk kenmerk), rookgrijze kwarts en donkere mineralen, vooral biotiet.
De grootte van de veldspaten kan in verschillende zwerfstenen erg verschillen.
Lemlandgraniet komt op meerdere plaatsen in de Ålandarchipel voor. Sommige deskundigen beschouwen het gesteente daarom niet als gidsgesteente.

q. Måsshagagraniet.

Måsshagagraniet is een onbekende, roodachtige granietsoort. Het gesteente is afkomstig van het gelijknamige eilandje midden in de Ålandarchipel. Het gesteente lijkt op een gemetselde muur. De grote tot 3 cm lange eerstelingen zijn meestal Karsbader tweelingen. De graniet lijkt op Lemlandgraniet, maar de veldspaten zijn smaller. De grondmassa tussen de veldspaten bestaat uit grijze kwarts en wat biotiet, dat in slieren om de grote veldspaten ligt.

r. Prickgranieten. (1,8 miljard jaren)

Prickgranieten behoren tot de aplitische rapakivigesteenten. De naam is afkomstig van het Zweedse woord “Prick”. Dit betekent “vlek” of “drup”. Met de “Pricken” worden de kenmerkende biotietaggregaten bedoeld, die opvallend in het gesteente voorkomen.
Prickgraniet komt voor in gangen binnen de rapakivigesteenten, maar de meeste voorkomens zijn kleine Prickgranietmassieven. Volgens Bräunlich (Kristallin.de) zijn deze voorkomens op de Ålandseilanden moeilijk te vinden. Ook op het Finse vasteland komt het gesteente voor. Prickgraniet is een variabel gesteente in zowel kleur als hoedanigheid van de vlekken. Men gaat gewoonlijk uit van een hoofdtype en een porfier-aplietisch type.
Prickgraniet heeft een fijnkorrelige grondmassa, die bestaat uit kwarts en kaliveldspaat. Vaak zijn de verschillende korrels met het blote oog nog net te zien. De kwartskorreltjes en veldspaatjes liggen tegen elkaar aan, maar vormen ook veel fijngrafische vergroeiingen. De kleur van de grondmassa varieert tussen geel, roze, bruin en rood. We hebben altijd te maken met lichte kleuren. De kwartsjes zijn gewoonlijk grijs.
In deze grondmassa liggen, egaal verspreid over het gesteente, een groot aantal, in grootte variërende aggregaatjes van gewoonlijk zwarte biotietschubjes. Deze vlekken zijn het voornaamste kenmerk van Prickgraniet. Ze steken sterk af tegen de lichtgekleurde grondmassa.
In de grondmassa vinden we nog al eens enige hoekige kaliveldspaten, met ongeveer dezelfde kleur als deze grondmassa. Ook zien we soms ronde veldspaten met een lichte plagioklaasring en onregelmatig gevormde, grijze kwartsen

s. Pyterliet (1,6 miljard jaren)

Pyterlieten zijn meestal geelrood tot bruinrood van kleur. Het gesteente valt op door de grote geronde of rechthoekige veldspaten, die zijn omgeven door een krans van donkergrijze, bruinachtige of iets blauwe kwartsen. Deze veldspaten zijn perthitisch. Het verschil in grootte tussen kwartsen en kaliveldspaten is opvallend. De kwartsen hebben een eigen vorm. (idiomorf). Als de kwartseerstelingen relatief groot zijn, raken ze elkaar, maar ze vormen geen klonters De rond de grote kaliveldspaten gelegen plagioklazen zijn meestal roodbruin of wat groenachtig van kleur. Het donkere mineraal is biotiet.
Pyterlieten komen voor in eigenlijk alle rapakivi massieven van de Ålandeilanden en Zuid-Finland. Van sommige varianten is de herkomstplaats nauwkeurig bekend, zoals bijv. die van de hierboven afgebeelde geelrode Kökarpyterlieten.
De nr. 6, 9 en 10 behoren tot deze zg “Kökarpyterlieten”. Dit is een variant, die voorkomt op en rondom het eilandje Kökar in het oosten van de Ålandarchipel. Kenmerkend voor deze stenen is de rode plagioklaas.

9. Pyterliet. Emmerschans.

De rode plagioklaas geeft aan, dat deze steen hoogstwaarschijnlijk afkomstig is uit de omgeving van het eiland Kökar.

10. Pyterliet. Emmerschans.

Herkomst Kökar of omgeving. De plagioklaas heeft een fraaie rode kleur.

t. Oost-Baltische Monzoniet

Dit roodachtige gevlekte gesteente bestaat uit een groot aantal geelgroene hoekige veldspaten van plagioklaas. Het percentage plagioklaas is dusdanig groot, dat we de steen monzonitisch kunnen noemen. De massa tussen deze hoekige veldspaten bestaat uit lichtrode kaliveldspaat die grafisch met kwarts is vergroeid. Zelfstandige kwarts is niet te vinden. Verder zien we verspreid over het gesteente een aantal vuilwitte, hoekige kaliveldspaten. Het gesteente bevat vrij veel donker mineraal. Het herkomstgebied is volgens Zandstra onbekend, maar vanwege het feit dat zwerfstenen vaak voorkomen in het gezelschap van Prickgraniet, Pyterliet en Finse rapakivitypen zijn ze waarschijnlijk afkomstig uit het oostelijk deel van de Ålandeilanden of Zuid-Finland. (Zie Zandstra 1988 blz. 50)

u. Rapakivigraniet porfierisch. (1,6 miljard jaren)

Porfierische rapakivigranieten doen denken aan pyterliet en aan Finse porfiergraniet. Het verschil is met rapakivigranieten is echter, dat de kwartsen over het algemeen niet of nauwelijks kransen vormen om de kaliveldspaten. Bovendien liggen ze nog al eens wat groepsgewijs in het gesteente.Ook hebben de kwartsen over het algemeen geen eigen vorm. Het verschil met porfiergraniet is, dat in de rapakivigranieten het verschil tussen de grote kaliveldspaten en de kaliveldspaat in de grondmassa minder groot is en het aantal groter is. Bovendien bevatten de kaliveldspaten meestal minder insluitsels van kwarts en biotiet dan dat in pyterliet het geval is.
Soms vormt plagioklaas iets van een rand om de kaliveldspaten. Het komt bovendien als zelfstandig mineraal voor in de grondmassa. De kleur is meestal roodbruinachtig of geelwit.
Het is soms lastig om dit gesteente te onderscheiden van pyterliet of Finse porfiergraniet.

v. Viborgiet van Åland (1,6 miljard jaren)

Sommige Ålandrapakivi bezitten kenmerken van de Viborgieten van het Finse vasteland. We noemen dergelijke stenen Åland-Viborgieten.
Ze zijn van de andere Ålandrapakivi te onderscheiden door:
a. Het geringe aantal granofierische vergroeiingen van veldspaat en kwarts in de grondmassa;
b. Een vaak grotere omvang van de geringde ovoïden. Op het zaagvlak is dat helaas niet altijd zichtbaar;
c. Een vrij groffe grondmassa met blauwgrijze kwarts, zwarte biotiet en hoornblendenesten.
Er zijn veel overgangen naar “normale” Ålandrapakivi
De Åland-Viborgieten zijn duidelijk minder groffe gesteenten dan hun soortgenoten uit Zuidoost-Finland.

Terug naar: Aland en Finland