Selecteer een pagina

Ga naar:  Dalarna e.o.

a. Äppelbo graniet   –   b. Garberg graniet   –   c. Igelsberg graniet   –   d. Järna graniet roodgroen   –   e. Järna graniet wit   –   f. Siljan graniet

a. Äppelbograniet.

3. Detail van 2

Het groenachtige mineraal in de donkere slieren is mogelijk ( deels) epidoot, ontstaan door omzetting van plagioklaas.

Een grof gesteente dat voornamelijk bestaat uit rode kaliveldspaat, grijsblauwe kwartsklonters en geelwitte of groenwitte plagioklaas. De zwarte mineralen biotiet en hoornblende liggen enigszins in slieren om de rode kaliveldspaten.

b. Garberggraniet. (1,7 miljard jaren)

Garberggraniet heeft een rode tot roodviolette grondmassa, met een groot aantal grafische vergroeiingen van kwarts in kaliveldspaat. (Kenmerkend) In grondmassa liggen een aantal rode veldspaten, die zo nu en dan een rand hebben van witte plagioklaas. Het aantal geringde veldspaten is groter dan bij Siljangraniet. Plagioklaas komt voor in twee soorten. De meeste plagioklaas is wit. Groene plagioklazen met lichtere randen komen minder voor. (Vierkant of rechthoekig) Soms hebben plagioklazen een ring van kaliveldspaat. Behalve in de grafische vergroeiingen komt kwarts ook nog voor in grijze korrels. Biotiet vertoont zich in korrels en kleine aggregaten.
Garberggraniet doet nog al eens porfierisch aan.

c. Igelsberggraniet.

Een graniet met een fijn tot middelkorrelige grondmassa van lichtgrijsrode kleur. In deze grondmassa liggen een groot aantal gelijkgerichte, langgerekte, roodachtige microklienkristallen. De lengte van deze veldspaten is minder dan 2 cm. De meeste zijn Karlsbader Tweelingen. Kwarts, zwarte mineralen en wat plagioklaas vullen de ruimte tussen de veldspaten in langgerekte vormen. (Nr.3)

d. Järnagraniet o.a. roodgroen (1,85 miljard jaren)

Järnagranieten zijn afkomstig uit een aantal gebieden ten zuidwesten van Leksand. Deze gebieden liggen zowel in Dalarna als in Värmland. We kunnen de Järnagranieten verdelen in enkele typen. Zo zijn er z.g. roodgroene en witte typen. Bovendien zijn er nog roodachtig witte typen, maar die vormen geen afzonderlijke groep.
Het groenrode type (foto’s 2 en 3) heeft een groenachtige granitische grondmassa met daarin een aantal rode, meest hoekige veldspaten. . Plagioklaas komt voor in witgele en groenachtige veldspaten. De groene plagioklaas heeft vaak lichtere randen. Plagioklaasringen komen niet voor.

De donkere mineralen, met name biotiet bestaan uit fijnkorrelige aggregaten van vooral biotiet, die wat in snoertjes om de kaliveldspaten heen liggen. Ook komen zwarte hoornblendezuiltjes voor.
Tussen het roodgroene type en het witte type vinden we overgangen. Voorbeelden hiervan zijn de stukjes rots van de foto’s 4 t/m 6. Vooral nr. 6 valt op door de rode kaliveldspaat. Mogelijk een overgangstype.

e. Järnagraniet wit.

In een zwartwit gevlekte grondmassa liggen een aantal roze, vaak hoekige kaliveldspaten. (2A) Het gehalte aan kaliveldspaat is veel groter dan dat aan plagioklaas. Er zijn weer twee soorten plagioklaas. De meeste plagioklaas bestaat uit witte vierkante korrels. (2B). Soms met een groenachtig midden. Groenachtige plagioklaas komt veel minder voor. (2C) Het vrij grote aantal kwartkorrels is lichtgrijs van kleur. Veel aggregaten van vooral biotiet en hoornblende. Ook komt er nog hoornblende voor in tot 1 cm langwerpige rechthoeken. (2D)

f. Siljangraniet (1,7 miljard jaren)

Tot voor korte tijd werden homogeen rode granieten met veel kaliveldspaat, vrij veel plagioklaas, grijze kwarts en een plagioklaasring rond een klein aantal kaliveldspaten al vrij snel benoemd als Siljangraniet. Recent onderzoek heeft echter uitgewezen, dat in de buurt van de stad Eksjö in Småland Växjögranieten voorkomen, die nauwelijks zijn te onderscheiden van de echte exemplaren uit de omgeving van het Siljanmeer in Dalarna. Dit maakt het een stuk lastiger om een steen een Siljangraniet te kunnen noemen.
De stenen uit Dalarna hebben echter wel enkele specifieke kenmerken, die bij de exemplaren uit Småland ontbreken.
Een belangrijk verschil tussen Siljan- en de Växjögranieten is, dat de stenen uit Dalarna geen tekenen van deformatie vertonen en de stenen uit Småland wel. Een nauwkeurige beoordeling van de kwartsen verschaft hierover veel al veel duidelijkheid. De kwartsen in Siljangranieten hebben vaak (grotendeels) hun eigen vorm behouden (idiomorf). Veel exemplaren zijn regelmatig afgerond. Bij de Växjö granieten hebben de kwartsen vaak allerlei vormen (xenomorf) en liggen ze in klonters bij elkaar. Als men de kwartsen door een loep bekijkt, dan zijn de exemplaren bij de Siljangranieten vaak wat doorzichtig. Treft men suikerkorrelige kwarts aan, dan behoort de steen niet tot de Siljangranieten, omdat dit een kenmerk is van deformatie. De kleuren van de kwartsen in Siljangranieten vooral grijs, maar soms ook blauwachtig. Bij de Växjogranieten is de kleur veel vaker blauwachtig. De grootte van de kwartsen is ook in de Siljangranieten nog al variabel. Volgens een artikel van dhr. M.Torbohm gewoonlijk 2-5 cm met daartussen wat grotere exemplaren. De kwarts kan wel tot 35% van het mineralenbestand uitmaken.

Vaste rots Rossberget/Gesundaberget.

Siljangranieten vallen op door de mooie egale, gewoonlijk rode kleur van de kaliveldspaten. Dit komt maar voor bij enkele granietsoorten. Kaliveldspaat maakt wel ongeveer 50% uit van het gesteenteoppervlak. De veldspaten raken elkaar vaak, waardoor iets van een net ontstaat. Sommige kaliveldspaten hebben een ring van witte of gelige plagioklaas. Dit laatste is altijd belangrijk geweest bij de herkenning van het gesteente. Vindt men een steen met in de veldspaten insluitsels of streepvorming van andere mineralen, dan behoort de steen zeker niet tot de Siljangranieten.
Plagioklaas maakt ongeveer 20% uit van het mineraalbestand. De kleur is wit of wat gelig. Rode plagioklaas hoort bij de Växjögranieten. Opvallend in het gesteente zijn de wat schaars voorkomende groene plagioklazen met een witte ring. Een goed opvallend verschijnsel.
De donkere mineralen bestaan vooral uit biotiet. Vaak ligt het mineraal in een fijne verdeling door het gesteente, soms in kleine opeenhopingen. In Växjögranieten komt meer sliervorming voor.
(Deze beschrijving is grotendeels tot stand gekomen door gebruik te maken van gegevens van M. Torbohm en Smed/Ehlers.)

9. Siljangraniet. Opende.

De steen heeft een groot aantal idiomorfe, onder de loep iets doorzichtige kwartsen. De kaliveldspaat is homogeen van kleur en ligt als een soort net om de andere mineralen heen. Aan de buitenkant is te zien, dat sommige kaliveldspaten een wit ringetje hebben van plagioklaas. De plagioklaas is witgeel of groen van kleur. Enige groene p;agioklazen hebben een vrij brede, wat onduidelijke rand van witgele plagioklaas. De biotiet vormt kleine aggregaten met soms wat titaniet. Dit zijn een aantal kenmerken, die het aannemelijk maken. Dat deze steen bii de Siljangranieten behoort.

 

10. Siljangraniet. Zuidhorn.

Deze steen heeft bijna dezelfde kenmerken als de vorige. De kleur van de kaliveldspaat is iets intenser rood. De kwartsen raken elkaar nog al eens, maar ze hebben wel de eigen vorm behouden. Het aantal groene plagioklazen met een lichtgekleurde plagioklaasrand is groter en duidelijker dan bij de vorige steen.
De zwarte mineralen vormen kleine fijne aggregaten. Ook dit lijkt een Siljangraniet.

 

Wie meer wil weten over deze Siljan-/Växjögranieten kan dat doen door de website van dhr. M. Bräunlich op te zoeken via de link:   http://http://kristallin.de/Schweden/Siljan-Granit/Siljan-Granit.html. Dhr. M. Torbohm geeft hier een uitgebreide uiteenzetting.

Terug naar: Dalarna e.o.