Selecteer een pagina

Gneizen

a. Gneizen algemeen   –   b. Gneisgranieten   –   c. Ogengneizen   – 
d. Tännäs ogengneizen   –   e. Overige gneizen.

U bevind zich hier: Home » Steensoorten » Metamorfieten » Gneizen (metamorfieten)

a. Gneizen algemeen. (Meestal ouder dan 1 miljard jaren)

Gneizen zijn over het algemeen metamorfe vormen van graniet en syeniet. Over het algemeen zijn gneizen dan ook samengesteld uit kaliveldspaat, kwarts en donkere mineralen, Van deze donkere mineralen is biotiet het belangrijkst, maar ook amfibool (hoornblende) komt voor. Gneizen ontstaan als graniet door geologische krachten kilometers diep in de aarde verdwijnt. Door druk uit één richting, zoals bij gebergtevorming optreedt, worden de mineralen van het oorspronkelijke gesteente vervormd en kristalliseren deels opnieuw. Bovendien vindt omzetting van mineralen plaats, evenals de vorming van nieuwe. Het resultaat is een gewoonlijk gelaagd “streperig” gesteente, zonder mooie kristallen, omdat er voor uitkristallisatie weinig ruimte was en bovendien de enorme druk uitkristallisatie tegenwerkte. De mineralen hebben in gneizen gewoonlijk dus geen eigen vorm. Men noemt dergelijke uitkristallisatie “xenoform”, vormloos. Dit in tegenstelling tot idiomorfe kristallisatie, waarbij de mineralen wel hun eigen vorm hebben. Amandels, plagioklaasringen en grafische vergroeiingen komen volgens Smed in gneis niet voor. Dit is volgens hem een bewijs, dat tijdens de metamorfose het gesteente niet opnieuw is gesmolten.
Gneizen worden ingedeeld in verschillende soorten, die op de afbeeldingen worden getoond. Tussen de vormen zijn veel overgangen. Veel gneizen deelt men tegenwoordig in bij de migmatieten.

b. Gneisgranieten

We hebben lang niet altijd te maken met een volledige metamorfose. Soms is de metamorfose, om woorden van Hellinga te gebruiken, maar “half afgewerkt”. Vaak is in granieten al iets te vinden van iets van metamorfose. Hierbij valt te denken aan de suikerkorrelige kwarts in bepaalde granieten uit Småland. De metamorfose verschijnselen kunnen echter ook veel verder gaan. We krijgen dan te maken met gneisgranieten, waarvan sommige door bepaalde kenmerken als gidsgesteenten zijn te gebruiken zoals de Loftahammergneisgraniet en de Bornholmstreepgraniet. Vaak echter is de herkomst van gneisgranieten onzeker en zijn ze niet als gidsgesteente te gebruiken

c. Ogengneizen

De “ogen” in metamorfe gesteenten noemt men porfiroblasten. Men noemt het geen eerstelingen, zoals bij de stollingsgesteenten, omdat de ontstaanswijze anders is. De porfiroblasten zijn tijdens de metamorfose vaak op enkele tientallen kilometers diepte ontstaan uit materiaal, dat vanwege hoge temperaturen en hoge druk, nieuw werd aangevoerd. Weer andere stoffen werden afgevoerd. De aanwezigheid van water was hierbij belangrijk. Uit welke mineralen de porfiroblasten bestaan is uiteraard afhankelijk van de mineralen, die nieuw ontstonden. In ogengneizen is dit vooral kaliveldspaat, maar gneizen/migmatieten hebben ook volop porfiroblasten van granaten.
In ogengneizen bestaan de porfiroblasten dus vooral uit kaliveldspaat. Soms komen ogen van kwarts voor. De ogen zijn door de grote druk nogal eens gebroken. Meestal zijn deze porfiroblasten wat afgerond in de richting van de slierige tussenmassa. Vaak lopen de donkere biotiet-hoornblenderijke strepen om de ogen heen. Dat houdt volgens sommige auteurs in, dat de strepen na de ogen zijn gevormd. Als de strepen niet gewijzigd zijn, dan zijn deze ouder. Volgens een andere theorie hebben de porfiroblasten tijdens de stolling het omringende materiaal, dat niet gesmolten maar plastisch was, opzij gedrukt.
Ogengneizen zijn hoogstwaarschijnlijk ontstaan uit granieten met duidelijke eerstelingen. Ze komen voor in allerlei variëteiten.
Een goed herkenbare ogengneis is de Tännäs ogengneis.

d. Tännäs ogengneizen

Het herkomstgebied van dit als zwerfsteen zeer zeldzame gesteente ligt dicht bij de Zweeds-Noorse grens ongeveer ter hoogte van Sundsvall.
W.T. Hellinga geeft in “Elzeviers Zwerfstenengids” naar aanleiding van een vondst op Urk de volgende beschrijving:
Een typische mylonietgneis, bestaande uit centimeters grote roze tot rode microklienogen in een slierige massa van grijsgroene kleur, bestaande uit band- of lensvormige grijsblauwe kwarts en hoornblendeslieren. Epidoot en chloriet zitten microscopisch in de “grondmassa”, waarin zich ook kwarts bevindt.

e. Overige gneizen

Steen 1 vertoont een groot aantal rechte strepen, die allemaal keurig evenwijdig aan elkaar liggen en die tijdens de metamorfose ten gevolge van hoge druk, loodrecht op de richting van de strepen zijn ontstaan.. Zaagt men de steen in verkeerde richting door, dan is er geen streep te zien.
De steen op foto 3 maakt een “platgewalste” indruk. De donkere mineralen liggen in lange slieren en ook de oorspronkelijke porfiroblasten zijn op enkele uitzonderingen na bijna compleet geplet. Onder de loep zijn ze bovendien nog al vergruisd. Dergelijke stenen worden wel mylonietgneizen genoemd. Steen 4 vertoont dezelfde kenmerken.
De hoornblendegneis op foto 5 lijkt vrij veel op een schist, maar omdat in de steen veldspaat aanwezig is, noemen we het een gneis. Steen 7 hoort bij de geplooide gneizen.

Terug naar Metamorfieten

Contact opnemen?

10 + 9 =

Statistieken

079621
Gebruikers vandaag : 39
Deze maand : 784
Totaal gebruikers : 1126