Selecteer een pagina

Metamorfieten Overig

U bevind zich hier: Home » Steensoorten » Metamorfieten » Overig (metamorfieten)

a. Amfibolieten   –   b. Gedritiet   –   c. Retro Eclogiet    –    d. Kataklasieten en Mylonieten    –    e. Helleflint   –   f. Kogel Helleflint    –   g. Hoornblende- rots    –    h. Kwartsiet    –    i. Granuliet    –    j. Metasomatiet of Helsinkiet    –   k. Schist    –    l. Unakiet    –   m. Vlammen Pegmatiet

a. Amfibolieten

Amfibolieten zijn gewoonlijk metamorfe vormen van basalt, dioriet of gabbro. Over het algemeen zijn ze zwart-wit gekleurd. Granaten kunnen roodachtige vlekjes veroorzaken. Veel amfibolieten zijn te herkennen aan de lineaire gerichtheid van de donkere mineralen, maar dit is niet beslist noodzakelijk. Deze gerichtheid is ontstaan door deformatie ten gevolge van hoge druk.
De zwarte mineralen bestaan vooral uit glanzende amfibool.(hoornblende) Deze amfibool is vooral omgezette augiet. Verder kan er wat zwarte biotiet voorkomen. Het lichtgekleurde mineraal is plagioklaas.
Om een steen een amfiboliet te mogen noemen moet het amfiboolgehalte tussen de 40 en 90 procent liggen. Een andere indeling stelt als voorwaarde, dat het amfiboolgehalte groter dan 30% moet zijn en samen met de plagioklaas minstens 75% van het geheel moet uitmaken.
Het plagioklaasaandeel moet hoger zijn dan 5%.
Deze gehaltes zijn voor de met een loep gewapende steenliefhebber wel eens moeilijk te bepalen en we moeten er dan ook maar van uitgaan, dat een steen met een behoorlijk percentage amfibool en plagioklaas bij de amfibolieten thuishoort.
Amfibolieten komen overal voor in Scandinavië. Het zijn dan gewoonlijk ook geen gidsgesteenten.
Ze kunnen verwisseld worden met gneizen. Het donkere mineraal in gneizen is echter geen amfibool maar biotiet. Dit glanst vaak beduidend minder dan donkere amfibool. Ook bevatten gneizen gewoonlijk kwarts. Dit mineraal ontbreekt vaak in amfibolieten.
Er zijn eigenlijk drie soorten amfibolieten:
a Amfibolieten zonder of met zeer weinig granaten;
b Granaatamfibolieten;
c Plagioklaasslierige granaatamfibolieten.

Amfibolieten zonder granaten komen minder voor dan de andere twee soorten. De donkere mineralen tonen in dit type vaker een lineaire gerichtheid dan in de typen met granaten. Veel stenen van dit type zijn afkomstig uit Zweden.
Granaatamfibolieten zijn vooral afkomstig uit het zuidelijk deel van Zuidwest-Zweden. Noordelijk van de lijn Gotenburg-Jonköping komen ze niet voor. (Vinx)
Granaatamfibolieten zijn ontstaan op grote diepte (30 km) bij zeer hoge druk en temperatuur. De aanwezigheid van granaat is hiervoor het bewijs omdat alleen onder genoemde omstandigheden kleimineralen worden omgezet in granaat. De verschillende granaatmineralen worden allemaal tot de donkere mineralen gerekend. Ze hebben een hoog soortelijk gewicht, waardoor granaat bevattende stenen vaak erg zwaar zijn.
Om een amfiboliet een granaatamfiboliet te mogen noemen moet het granaatpercentage minstens 5% van het totaal zijn. Bij een lager percentage kunnen we de steen eventueel benoemen als `Amfiboliet met granaten”.
Plagioklaasslierige granaatamfibolieten zijn opvallende stenen door de opvallende witte plagioklaasslieren en de in het oog springende porfieroblasten (eerstelingen) van rode granaat.
De stenen komen voor in zuidwest Zweden en zuidoost Noorwegen. De exemplaren die wij in Nederland vinden zullen vooral uit Zweden afkomstig zijn.
Men rekent deze variëteit wel eens tot de gidsgesteenten, maar omdat het gesteente op meerdere plaatsen is ontstaan kan men hier de nodige vraagtekens bij plaatsen.

b. Gedritiet (Amfiboliet)

Gedritiet, ook wel Gedriet genoemd, is een soort amfiboliet met daarin porfiroblasten van het mineraal gedriet uit de amfiboolgroep. Dit mineraal vormt grote “zonnen”, die het gesteente een bijzondere aanblik geven. Het gesteente komt voor in de omgeving van Skyshuttan, in de Zweedse provincie Dalarna.

c. Retro-Eclogieten. (<1 miljard jaren)

Foto: Retro-Eclogiet. Vaste rots Noorwegen

Eclogiet ontstaat, als twee aardschollen tegen elkaar aanbotsen. Hierbij kunnen stukken van de aardkorst tot wel meer dan 50 km in de aarde wegzakken. Ten gevolge van zeer grote druk en hitte worden moedergesteenten als diabaas, basalt en gabbro hier omgezet in o.a. eclogiet. Vervolgens wordt door druk vanuit de aarde het op grote diepte omgezette stuk aardkorst weer omhoog geduwd. Hierbij nemen druk en temperatuur snel af. Door de dalende druk en temperatuur ondergaat het gesteente opnieuw een metamorfose in het gesteente, waardoor de op grote diepte fraai gevormde eclogieten en niet mooier op worden en de zwerfstenen die gevonden worden dan ook minder fraai zijn dan het oorspronkelijke gesteente.

Gewoonlijk vindt metamorfose plaats bij verhoging van druk en temperatuur. Bij de Eclogieten, die wij als zwerfsteen vinden is juist het tegenovergestelde gebeurd. De stenen zijn veranderd door verlaging van druk en temperatuur. Vandaar, dat gesproken wordt van “Retro-Eclogieten”. Dit in tegenstelling tot de diep in de aardkorst gevormde Eclogieten.
Naar het schijnt heeft het hele proces van wegzinken en opnieuw opheffen van een stuk aardkorst voor geologische begrippen in een zeer kort tijdsbestek plaatsgevonden. Er wordt een tijdperk genoemd van ongeveer 13 miljoen jaren.
De Retro-Eclogieten bestaan vooral uit rode granaat en groene pyroxenen. De granaat bestaat vooral uit de variëteit Pyroop, die vooral in hogedrukgesteenten wordt gevormd. De pyroxenen bestaan vooral uit het groene mineraal Omphaciet.
Retro-Eclogieten zijn een opvallend dicht gesteente. Dit komt door het ontbreken van plagioklaas.
Bovendien is het gesteente bijzonder zwaar. Er wordt wel gesproken van het zwaarste gesteente ter wereld.
Retro-Eclogieten komen als vaste rots o.a. voor in Zuid-Noorwegen en Zuidwest-Zweden. Het gesteente is mogelijk te verwisselen met bepaalde typen Metasomatieten. (Helsinkiet) Ook dit gesteente heeft een rood-groen uiterlijk. De rode en groene kleuren worden in Metasomatieten echter veroorzaakt door kaliveldspaat en epidoot. Bovendien is het gewicht veel lager.

d. Kataklasieten/Mylonieten

Als in een breukzone van de aardkorst twee platen langs elkaar schuiven kunnen gesteenten in de breukzone verbrijzeld worden en kan er plastische deformatie plaatsvinden.
Het dichtst bij het aardoppervlak kunnen gesteenten in stukken breken en tektonische breccies vormen. Dieper in de aardkorst is de druk groter en de temperatuur hoger. De gesteenten worden hier meer verbrijzeld en de ruimtes die ontstaan worden opgevuld met een bindmiddel. Het gesteente dat ontstaat is eigenlijk nog een tektonische breccie, maar van mooie klasten is geen sprake meer. Het is een wirwar van grotere en kleine stukken die zelf vaak ook nog weer gebroken zijn. Dit soort stenen, die eigenlijk onderdeel uitmaken van de tektonische breccies noemt men vaak kataklasieten. (kataklase = verbrokkeling)

Op vele kilometers diepte in de aardkorst zijn druk en hitte enorm. Hier vindt niet alleen verbrijzeling plaats maar ook plastische deformatie. Hierdoor worden eerstelingen/porfiroblasten in elkaar gedrukt en ontstaan er platgewalste gesteenten, die soms wat golvend zijn. Dit soort stenen noemt men mylonieten. Mylonieten zijn gewoonlijk samengesteld uit de zelfde mineralen als het omringende gesteente. Zowel kataklasieten als mylonieten kunnen ontstaan in elke gesteentesoort. De naam zegt dan ook alleen iets over de stuctuur en textuur van een gesteente, maar niet over de mineralogische samenstelling.

e. Helleflinten

Helleflinten zijn metamorfe gesteenten, die overeenkomsten vertonen met vuursteen. In Scandinavië worden staan ze dan ook bekend onder de naam “Rotsvuursteen”. De overeenkomsten zitten vooral in de hardheid van het gesteente. Als men helleflinten doorslaat, ontstaat net als bij vuursteen een scherpe, splinterige breuk. De hardste typen zijn in het verre verleden dan ook wel gebruikt voor het maken van stenen werktuigen.
Helleflinten komen vooral voor in Midden- en Zuid-Zweden. In Dalarna is de “Helleflint van Dannemora” een bekend gidsgesteente met banden. De meeste helleflinten zijn waarschijnlijk afkomstig uit Småland, uit het gebied zuidelijk van Mariannelund en Vimmerby.

Helleflinten zijn over het algemeen omgezette vulkanieten. (Tuffen, ignimbrieten). Variëteiten met banden schijnen echter omgezette sedimentsgesteenten te zijn. Er zijn verschillende soorten helleflinten, die voor het oog nog al van elkaar verschillen. Zo zijn er dichte typen en typen met strepen, plooien of banden. Ook zijn helleflinten vaak porfierisch. Tussen de verschillende variëteiten zijn veel overgangen. Een zeer speciaal type is de kogelhelleflint, ook wel kogelrots genoemd. Dit gesteente komt vooral voor in Småland. Ook komen in Småland veel streperige typen voor, die meestal porfierisch zijn. De meeste helleflinten hebben een roodachtige, bruinachtige of (donker)grijze kleur. De belangrijkste samenstellende mineralen zijn kwarts en veldspaat. Ook plagioklaas is gewoonlijk zichtbaar aanwezig. De metamorfose in helleflinten is vaak dusdanig mild geweest, dat het oorspronkelijke gesteente nog wel herkenbaar is.

Eigenlijk behoren helleflinten bij de hoornrotsen. In de zwerfsteenkunde gebruikt men echter nog steeds de naam helleflint. De gesteenten zijn van elkaar te onderscheiden doordat de strepen in helleflinten gewoonlijk niet door de hele steen heen gaan. Leptiet is een gesteentesoort, die nauw verwant is met helleflinten. Vaak is het moeilijk om beide gesteenten van elkaar te onderscheiden. Bovendien zijn er overgangen.

f. Kogelhelleflinten

Over helleflinten met kogelachtige structuren zijn weinig gegevens te vinden. Slechts Hesemann (1975) en Zandstra (1988) stellen dit soort gesteenten in hun boeken kort aan de orde. Het gaat hierbij om Kogelhelleflinten/rotsen uit Småland. Hesemann merkt op, dat ignimbrieten soms kogelachtige structuren kunnen vertonen. Mogelijk zijn bepaalde helleflinten met kogelstructuren ontstaan door metamorfose van dit soort ignimbrieten.

g. Hoornblenderots/-gneis

Een gesteente waarvan weinig beschrijvingen bekend zijn. F. Rudolph beschrijft het gesteente in zijn boek “Noch mehr Strandsteine”. Volgens deze schrijver komt het type van foto 2 het gesteente voor in de buurt van Skien in de Noorse provincie Telemark.Dit is dan ook een gidsgesteente. Echter niet alle hoornblendegneizen komen uit dit gebied. Rudolph gebruikt het woord “Granofels” en spreekt niet over gneis. Met het woord “Fels” bedoelt hij hier een dichte metamorfe grondmassa. De hoornblenderots heeft volgens hem een lichte vuilwitte tot geelachtige grondmassa, die vooral uit kwarts en veldspaat bestaat. In de grondmassa bevinden zich een aantal naaldvormige hoornblendekristallen, die meerdere cm groot kunnen zijn Ze kunnen deels een parallelligging vertonen. Rudolph spreekt van een porfiroblastisch gesteente De porfieroblasten zijn de hoornblendenaalden, die door omzetting zijn gevormd en tegelijkertijd met de veel fijnere grondmassa zijn gekristalliseerd, waardoor fijn stof kon binnendringen en de hoornblendekristallen “groeiden”.
Over de naam “gneis” bestaat dus verschil van opvatting. Met name in Duitsland gebruikt men het woord “Granofels”.

h. Kwartsieten

Kwartsieten deelt men vaak in bij de metamorfe gesteenten, vandaar dat we dit gesteente hier aan de orde stellen. Net als bij de breccies het geval is, is echter maar een deel van de stenen metamorf. Het andere deel hoort bij de sedimentgesteenten.
In de geologie worden kwartsieten dan ook onderverdeeld in twee soorten. Metamorfe kwartsieten noemt men metakwartsieten, terwijl de sedimentaire exemplaren worden aangeduid als ortho- of diagenetische kwartsieten.
Metakwartsieten ontstaan op grote diepte als door grote druk en een hoge temperatuur de kwartskorrels van zandsteen opnieuw gaan kristalliseren, waardoor een zeer dicht keihard gesteente ontstaat. Vaak bevat het gesteente het mineraal muscoviet doordat de zandsteen iets vervuild was. Als de metamorfose bovendien gepaard gaat met deformatie worden de kristallen uitgerekt en ontstaat een gelaagd gesteente. Dit gesteente is uiteraard duidelijk metamorf.
Ortho-/Diagenetische kwartsieten ontstaan vaak vrij dicht onder het aardoppervlak. Van druk of hoge temperatuur is geen sprake. Doordat stromend water in de poriën tussen de zandsteenkorrels kiezel afzet en deze korrels stevig verkit, ontstaat een hard en dicht gesteente.
De twee soorten kwartsiet zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden. Glimmerkwartsieten horen bij te metakwartsieten. Kwartsietische zandstenen bij de diagenetische kwartsieten.

Om een gesteente een kwartsiet te mogen noemen, moet het voor minstens 75% uit kwarts bestaan. Vaak bestaat het gesteente alleen uit kwarts. Er kunnen echter ook mineralen als lichtgekleurde glimmer ( glimmerkwartsieten) en veldspaat aanwezig zijn. Soms kunnen ook mineralen als granaat, pyriet en hematiet aanwezig zijn. Door de aanwezigheid van hematiet kan het gesteente rood zijn gekleurd. Meestal echter zijn kwartsieten lichtgekleurd. (wit, grijs)
Kwartsiet is dusdanig hard, dat het moeilijk smeltbaar is en bovendien geheel ongevoelig is voor zoutzuur. Aan de buitenkant zijn kwartsieten over het algemeen dan ook frisse, onverweerde stenen.
Kwartsiet en zandsteen zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden. Een oude regel is, dat bij een gesteenteafslag de breuk in kwartsiet door de korrels heengaat en bij zandsteen er omheen.
Een ander onderscheid is, dat bij zandstenen tussen de gewoonlijk rondachtige korrels poriën aanwezig zijn terwijl bij kwartsiet deze poriën ontbreken en de korrels onderling vertand zijn.

i. Mafische hogedruk granulieten. 

De naam voor deze steensoort wordt o.a. gebruikt door prof. R Vinx in zijn boek:“Steine an deutschen Küsten”. Het gesteente, dat een omzettingsvorm is van ± 1400 miljoen jaren geleden gevormde gabbro’s en basalten, bestaat voor een groot deel uit mafische (donkere) mineralen Dit zijn vooral pyroxenen en granaat. Bovendien kan amfibool voorkomen. De mengeling van donkere mineralen en de roodachtige granaat geeft het gesteente gewoonlijk een zwart/bruine kleur. Het lichte mineraal is plagioklaas. Als men met een loep de plagioklaas bekijkt, komt het granulietisch karakter duidelijk naar voren. Onder de loep vertoont zich namelijk een opeenhoping van zeer kleine wat glinsterende kristalletjes.De metamorfose vond op een diepte van ten minste 25 km plaats onder bijzonder hoge druk en zeer hoge temperaturen. Onder deze omstandigheden vindt er een reactie plaats tussen pyroxenen en plagioklaas, waardoor granaten ontstaan. De granaten kunnen enigszins in snoertjes verspreid in de plagioklaas voorkomen, maar vaak vormen ze kransen op de grens (Reactiezoom) van plagioklaas en pyroxeen. Deze kransen vormen dan een soort corona en men noemt deze stenen dan ook wel “Mafische granaatcoronieten”.

De stenen zonder duidelijke corona worden vaak “Mafische granulieten” genoemd. De corona’s zijn ontstaan ten gevolge van niet geheel voltooide reactieprocessen. Het is wel eens moeilijk om beide typen van elkaar te onderscheiden. Het feit, dat er veel overgangen zijn, maakt dit onderscheid nog lastiger.
Mafische hogedruk granulieten zijn vooral afkomstig uit Zuidwest-Zweden. Prof. Vinx noemt de landstreken Halland, West-Småland en het noordwesten van Schonen. Het totaaloppervlak van het grote aantal kleine voorkomens is ongeveer 15000 km2. Behalve in Zweden komt dit soort stenen ook voor in het Bamlegebied in Zuid-Noorwegen. Ze zijn niet te onderscheiden van de Zweedse stenen. Het is dan ook twijfelachtig of we deze steensoort een gidsgesteente mogen noemen.

j. Metasomatieten. (Helsinkieten) Ouderdom onbekend.

Zweedse Helsinkieten zijn fraaie, opvallende gesteenten. Ze komen uit Midden- en Zuid-Zweden. Ook in Zuid-Noorwegen is een voorkomen.
Lichtrode porfiroblasten (bij stollingsgesteenten eerstelingen) van kaliveldspaat liggen te midden van een een fijnkorrelig mengsel van epidoot, kwarts en veldspaatjes. De groene tint wordt nog versterkt door de aanwezigheid van chloriet. Als de porfiroblasten groot zijn heeft het gesteente een porfirisch uiterlijk.
Finse Helsinkieten zijn over het algemeen minder fraai dan de Zweedse exemplaren. In de hier afgebeelde steen (foto 8) zien we een grondmassa van witroze albiet, microklien en grijsbruine kwarts. In deze grondmassa liggen een groot aantal onregelmatige grote en kleine vlekken van roodbruine epidoot. Deze roodbruine epidoot vermt het voornaamste verschil met de Zweedse Helsinkieten.
Helsinkieten horen bij de metamorfe gesteenten. Normaal gesproken is de mineralogische samenstelling van een metamorf gesteente dezelfde als waaruit het is ontstaan, maar bij Helsinkiet zijn er tijdens de metamorfose mineralen afgevoerd en is er epidoot toegevoegd, waardoor de groene kleur is ontstaan. Meestal vindt deze uitwisseling van mineralen plaats door middel van waterige oplossingen. Men noemt dit proces “metasomatose”. Helsinkieten horen dan ook tot de metasomatieten. Deze metasomatose komt bij meer stenen voor bijv. bij bepaalde migmatieten en enkele rapakivi’s van de Ålandeilanden.
Er zijn ook stenen, die we we slechts de naam “Metasomatiet” kunnen geven, omdat ze kenmerken hebben, die niet overeenkomen met de Helsinkieten. Ook Helsinkieten worden tegenwoordig wel met de naam: “Metasomatiet” aangeduid.

k. Schisten

Schisten zijn door metamorfose ontstaan uit phylliet. Dit gesteente is weer ontstaan uit kleirijke sedimentsgesteenten zoals leisteen en schalie. Schisten bestaan vooral uit glimmer (muscoviet) en in mindere mate kwarts. Ook biotiet komt geregeld voor, terwijl bepaalde variëteiten veel hoornblende kunnen bevatten. Ook granaat is een regelmatig voorkomend mineraal. Veldspaten horen niet of slechts in zeer geringe mate in het gesteente thuis. Muscoviet, granaat en hoornblende komen geregeld voor in de gedaante van vrij grote porfyroblasten. Er wordt dan wel gesproken van muscovietschist, granaatschist of hoornblendeschist. Opvallend in schisten is, dat de muscovietblaadjes vaak dakpansgewijs over elkaar heen liggen. Hierdoor ontstaat vaak iets van een paralleltextuur.
Soms zijn schisten en gneizen moeilijk van elkaar te onderscheiden. Het verschil wordt bepaald door het veldspaatgehalte. Schisten bevatten geen of weinig veldspaat. Dit in tegenstelling tot gneizen, waarin wel veldspaat voorkomt.

 

l. Unakiet

Unakiet is een .bijzonder fraaie myloniet. Unakieten komen voor in zowel Zweden als Noorwegen. Het gesteente heeft vleesrode langgerekte opeenhopingen van veldspaten, waartussen breuken liggen, die vooral zijn opgevuld met groene epidoot en verder met kleine hoeveelheden kwarts en zwart mineraal. Kenmerkend voor het gesteente is de epidoot, die deels lichtgroen en deels diepgroen van kleur is. De meeste lichtgroene epidoot ligt langs de randen van de slieren. (Zie foto 2)

m. Vlammenpegmatiet. (1,4 miljard jaren, metamorfose ± 970 miljoen jaren)

Hoewel de naam “Pegmatiet” anders zou doen vermoeden, zijn Vlammenpegmatieten metamorfe gesteenten. Het zijn omzettingen van Pegmatieten met de voor graniet kenmerkende mineralen kaliveldspaat, plagioklaas en kwarts. De kaliveldspaat is (vlammend) oranjerood, de plagioklaas wat witgeel en de kwarts is (donker)grijs van kleur. Biotiet ontbreekt
De naam heeft het gesteente te danken aan de doorgaans wat vlamachtige vorm van de oranjerode kaliveldspaat. Het is afkomstig uit het kustgebied van Zuidwest-Zweden zo ongeveer tussen Varberg en Helsingborg.
Bij Vlammenpegmatieten zijn net name de mineraalkorrels van de veldspaten door enorme druk vaak volkomen vergruisd. Onder een loep is in onze voorbeelden de kwarts niet zozeer vergruisd maar wel sterk gebroken in kleine brokjes. De mineralen zijn bovendien door de druk vaak uitgewalst in golvende slieren. Dit geldt vooral voor de kwarts.
Hoewel we hier alleen foto’s tonen van stenen die afkomstig zijn van het zuid Deense eiland Als schijnen ze hier niet echt zeldzaam te zijn. Huisman noemt Werpeloh in het Duitse Emsland als een voorbeeld van gebieden waar het gesteente relatief veel voorkomt. Ook vermeldt hij, dat Vlammenpegmatieten vaak voor komen in gebieden waar ook Rhombenporfieren en Bohuslangranieten worden gevonden. Dit betekent, dat ze in het keileemgebied in het oosten en noordoosten van Friesland ongetwijfeld wel voor zullen komen.
Een verouderde zwerfsteenkundige naam is “Gedeformeerde bonte Pegmatiet”.
Petrologisch horen de meeste Vlammenpegmatieten door hun relatief vrij hoog plagioklaasgehalte waarschijnlijk bij de Monzogranieten. Bij een lager percentage kan er mogelijk sprake zijn van een Syenograniet.

Terug naar: Metamorfieten

Contact opnemen?

10 + 2 =

Statistieken

086792
Gebruikers vandaag : 44
Deze maand : 1235
Totaal gebruikers : 8297