Selecteer een pagina

Botnische Golf. (Typen)

U bevind zich hier: Home » Steensoorten » Noord zweden / botnische golf » Botnische-golf (noordzweden/botnischegolf)

a. Alnoïet   –   b. Botnische Golf porfier   –   c. Felsiet porfier   –   d. Botnische kwartsporfier   –   e. Botnische gneisgraniet   –   f. Rödö graniet   –   g. Rödö graniet porfier   –  h. Rödö kwartsporfier    –   i. Rödö rapakivi   –   j. Rödö syeniet porfier

Van de Botnische Golfporfieren is het momenteel niet zeker of ze als gidsgesteente kunnen worden beschouwd of slechts als typen, die ook van andere herkomstgebieden afkomstig kunnen zijn.

a. Alnoïet

Alnoïet is afkomstig van het eilandje Alnön, oostelijk van Sundsvall. Op dit eiland bevinden zich een aantal basaltachtige gesteenten, die zijn ontstaan door vulkanische activitiet. We geven hiervan enkele voorbeelden. Nr.4 is een vulkanische breccie met hoekige insluitsels van een rood gesteente en van witte kalkspaat in een groenachtige grondmassa. Nr.6 en nr.8 zijn volgens Hellinga (1980) gesteenten waarvan de veldspaat van het oergesteente is vervangen door nefelien. Door ijzerglimmer is dit roodgekleurd. Het groenachtig/zwarte mineraal is pyroxeen. Vooral in nr. 6 vertonen zich nog witte vlekken van kalkspaat

b. Botnische Golfporfieren. (1,6 miljoen jaren)

Van Botnische Golf porfieren is het exacte herkomstgebied nog altijd niet gevonden. Aan de hand van vondsten op met name de Ålandeilanden en de Zweedse zuidwestkust ten zuiden van de stad Pori gaat men er van uit, dat dit gebied van herkomst ergens midden in de Botnische Golf ligt zo ongeveer op de hoogte van het Zeedse eiland Rödö. (Zie kaartje foto 1.) Men kan deze conclusie trekken a.h.v de bekende stromingen van het landijs.
Botnische Golf porfieren zijn te verdelen in drie soorten nl. Botnische Albietfelsiet porfieren, Botnische Felsietporfieren en Botnische Kwartsporfieren, die we afzonderlijk zullen bespreken.
Elk van deze drie soorten hebben zo hun eigen kenmerken, maar er zijn ook kenmerken, waaraan alle drie soorten voldoen.
In de eerste plaats plaats ontbreken in alle typen donkere mineralen als biotiet en hoornblende. Regelmatig komen ook kleine chlorietvlekjes voor. Vaak zijn ze alleen met de loep goed zichtbaar. Bovendien is de grondmassa vaak wat slierig en bovendien onregelmatig gekleurd. Dit alles ontstaat door kleurwisselingen in de grondmassa.
Een aantal Botnische Golf porfieren heeft een naam. Deze namen hebben echter niets te maken met de plaats van herkomst, maar hebben te maken met bepaalde variëteiten, die op de Ålandeilanden en de Finse kust (Kyrkby) zijn gevonden en de naam hebben gekregen van het eiland (bijv. Åva) of het dorp/stadje (bijv. Kvarnbo) waar ze zijn gevonden.
Omdat via gevonden rotsmonsters het gebied van herkomst niet onomstotelijk vaststaat, is er wel discussie geweest over de vraag of deze Botnische Golf gesteenten wel bij de gidsgesteenten mogen worden gerekend. Het is echter wel belangrijk aandacht aan deze stenen te besteden, omdat enige typen nog al overeenkomsten vertonen met andere gesteenten zoals Helleflinten, Klittbergporfier en Bruine Oostzeekwartsporfier.
Tussen de verschillende soorten Botnische Golfporfieren bestaan veel overgangen. Bij determinatie moet dan ook vaak worden volstaan met de allesomvattende naam “Botnische Golfporfier”, of “Botnische Kwartsporfier”.
We bespreken de drie groepen nu afzonderlijk.

Botnische Albiet-Felsietporfieren hebben een helleflintachtig uiterlijk. (Schelp-achtige breuk en lichtgekleurde verweringskorst.) De dichte felsitische grondmassa bestaat uit kwarts en zeer veel kaliveldspaat, die zeer fijn met elkaar zijn vergroeid.
De kleur van de wat slierige grondmassa varieert tussen donkergrijs en bruinzwart. In deze grondmassa vinden we enige witte, onregelmatig begrensde eerstelingen van de plagioklaassoort albiet. (Zie detailfoto 2). Verder vinden we in de grondmassa kleine chlorietnesten. Kwartskorrels ontbreken. Omdat het gesteente zeer hard is en een scherpe breuk heeft, werd het in de steentijd gebruikt voor het maken van werktuigen.

c. Felsietporfier

Felsietporfieren hebben een dichte, felsitische, vaak wat helleflintachtige grondmassa. In deze grondmassa liggen eerstelingen van albiet en kaliveldspaat. Het aantal is beduidend groter als in de Albiet-Felsietporfier. Kwarts ontbreekt of de korrels zijn heel klein.. Wel zijn er meestal chlorietvlekken. Tussen de twee typen zijn talrijke overgangen.
Foto’s 1 en 2.
Kvarnbo Felsietporfieren hebben gewoonlijk een donkerbruine, dichte grondmassa. Het gesteente lijkt wel wat op een Helleflint. (Detailfoto 2) In de grondmassa liggen vrij veel kleine witte, hoekige veldspaten van albiet en roodachtige kaliveldspaten. Kwarts is met het blote oog niet zichtbaar. Wel komt wat chloriet voor. Dit type porfier lijkt veel op de Klittberg-ignimbriet uit Dalarna.
Foto’s 3 en 4.
Een felsietporfier met een dichte donkerbruine grondmassa. In deze grondmassa liggen een aantal onregelmatig gevormde veldspaten die bestaan uit helderwitte albiet en witroze kaliveldspaat. Op het verweerde oppervlak zijn de verschillen duidelijk zichtbaar. Helaas is dit op het zaagvlak minder het geval. Verder liggen in de grondmassa enige zeer kleine, donkergrijze kwartskorreltjes.

 

d. Botnische kwartsporfier

Botnische kwartsporfieren komen voor in talloze typen, die een aantal overeenkomsten vertonen. Over het algemeen is er sprake van een dichte grondmassa, die vaak wat vage slieren vertoont. Onder een loep is zo nu en dan een vergroeiing te zien van zeer fijne kwartjes met de kaliveldspaat. Alle typen hebben gewoonlijk matig veel tot zeer veel eerstelingen van kaliveldspaat, die meestal onregelmatig van vorm zijn. Ook bevat het gesteente gewoonlijk lichtgekleurde plagiokazen (albiet), die vaak kleiner zijn dan de kaliveldspaten. De vaak talrijke kwartsen zijn meestal klein. Biotiet, hoornblende en andere zwarte mineralen komen gewoonlijk niet voor. Wel zijn er geregeld kleine vlekjes van chloriet te vinden. Zoals al eerder is vermeld, hebben verschillende variëteiten de naam gekregen van de plaats, waar ze op de Ålandeilanden of Zuidwest-Finland zijn gevonden. De meeste zwerfstenen van de Botnische Golf die we vinden, voldoen niet aan de kenmerken van deze typen. Ook zijn er typen die wat samenstelling betreft, de typen met naam benaderen, maar het waarschijnlijk net niet zijn. We tonen hier een enkele van de talloze verschillende typen.

e. Botnische gneisgraniet (1,6 miljard jaren)

Botnische gneisgranieten hebben dezelfde rode kleur als de Ålandgesteenten. Het gesteente bestaat vooral uit suikerkorrelige witte kwarts en rode veldspaat. De kwarts ligt vaak is slieren en strepen door het gesteente. (Zie nr. 2) Weinig donkere mineralen.
Vanwege het feit, dat dit gesteente vaak gevonden wordt op plaatsen waar ook veel Åland- en Botnische Golfgesteenten worden gevonden, is de Botnische Golf zeer waarschijnlijk de plaats van herkomst.

f. Rödögraniet. (1,5 miljard jaren)

Rödögranieten zijn afkomstig van of uit het zeegebied en eilandjes rondom het eilandje Rödö(n) in de buurt van de Zweedse stad Sundsvall. Het zijn gesteenten met een rode grondmassa en volrode tot donkerrode kaliveldspaten. De fijnkorrelige grondmassa vertoont grafische vergroeiingen met kwarts. Onder een loep zien we hoekige, langwerpige kwartslichamen die sommige schrijvers vergelijken met vissen. Deze grafische vergroeiingen komen ook voor in de kaliveldspaten. De kleur van de zelfstandige kwartskorrels beweegt zich tussen lichtgrijs tot glashelder. De meeste plagioklaas vertoont zich in kleine kristallen. Soms komen groenachtige klompen chloriet voor. Kenmerkend voor granieten van Rödö zijn de tot 1 cm grote aggregaten van kalkspaat. (Nr.4) Als de kalkspaat ontbreekt moet men afgaan op de rode/dieprode kleur. Gesteenten van Rödö zijn nooit bruin of roodbruin.

Hieronder twee foto’s van de rode rotsen van Rödö. 

g. Rödögranietporfier. (1,5 miljard jaren)

Granietporfieren van Rödö zijn over het algemeen stenen met een fijnkorrelige rode of bruine grondmassa waarin zich grafische vergroeiingen bevinden van kwarts en kaliveldspaat. De kwartskorrels zijn grijs. Hun grootte en aantal is variabel. Vaak zijn de kaliveldspaten roodachtig van kleur en hoekig of rond van vorm. Er zijn weinig donkere mineralen.

h. Rödökwartsporfier.

Rödökwartsporfieren lijken nog al eens op Ålandgesteenten, maar de kwartsen zijn vaak lichter van kleur. Je kunt hier echter niet helemaal op aan. De grondmassa, die verschillend van kleur kan zijn, is dicht tot fijnkorrelig. De eerstelingen zijn vaak rechthoekig. De kleur varieert. (Zie de foto’s) Soms hebben de kaliveldspaten een mantel van plagioklaas. (Zie foto’s 1 en 5) De kwartsen zijn over het algemeen afgerond of iets ovaal. De kleur is grijs en de grootte heel verschillend.
Rödökwartsporfier komt voor in veel variëteiten en heeft veel overgangen naar Rödögranietporfier en Rödörapakivi.

i. Rödörapakivi

Rödörapakivi’s hebben een rode tot geelgrijsrode, grondmassa. In de grondmassa vinden we gewoonlijk een aantal dicht op elkaar liggende kaliveldspaten. De grootste zijn kogelrond. De kleinere vaak vierhoekig. Bij zowel de ronde als de vierhoekige veldspaten komen mantels voor van lichtgekleurde plagioklaas. Plagioklaas komt weinig voor. Kleine zelfstandige plagioklaaskristallen zijn meestal geelgrijs van kleur. De ronde kwartsen zijn grijs of witachtig van kleur. Biotiet en hoornblende vormen over het algemeen kleine vlekjes. Kenmerkend voor het gesteente zijn tot 1 cm grote aggregaten van kalkspaat, maar in kleine zwerfstenen ontbreken deze nog al eens. Tussen de veldspaten bevinden zich in meer of mindere mate grafische vergroeiingen van kwarts en veldspaat.

j. Rödösyenietporfier

Een gesteente met een grote variatie van typen. De herkomstgebieden van een aantal typen liggen waarschijnlijk behalve op Rödö ook in de Botnische Golf. Hier zien we stenen met een grijsgroene grondmassa. Deze grondmassa lijkt met het blote oog vrij dicht maar onder de loep zien we een fijne zwartgespikkelde grondmassa. Het zwarte mineraal is biotiet. De lichtrode kaliveldspaten zijn afgerond. Kwart is in de grondmassa niet te vinden.

Terug naar:Noord-Zweden/Botnische Golf