Selecteer een pagina

Noord-Zweden

U bevind zich hier: Home » Steensoorten » Noord zweden / botnische golf » Noord zweden (noordzweden/botnischegolf)

a. Ångermanland tweeglimmer graniet   –   b. Anorthosiet- /Monzogabbro   –   c. Granofier Nordingrå   –   d. Rapakivi granieten Nordingrå   –   e. Ragunda graniet   –   f. Ragunda kwarts porfier   –   g. Ragunda graniet porfier   –   h. Ragunda syeniet-/veldspaatporfier   –   i. Rätan graniet   –   j. Kwartsmonzoniet (Rätan)   –   k. Revsund graniet   –   l. Sörvik graniet   –   m. Sorsele graniet

 a. Ångermanland-tweeglimmergraniet.

Een lichtgekleurde graniet. (Van wit tot bleekrood) Meestal fijnkorrelig. Grotere kwartsen komen meestal niet voor. Kwarts komt regelmatig verspreid voor over het gesteente. Soms is de kwarts ten gevolge van drukverschijnselen suikerkorrelig.
De biotiet is fijnverdeeld. De muscoviet ligt nog al eens in kleine groepjes. Muscoviet is groter dan biotiet. De kaliveldspaat in de grondmassa bestaat deels uit microklien.

b. Anorthosiet-/Monzogabbro’s van Nordingrå (1,58 miljard jaren)

De oude naam die voor deze gesteenten werd gebruikt, was “Syenietgabbro van Ångermanland”.
Deze naam klopt echter niet meer omdat men gabbro’s waar in de onderlinge verhouding tussen kaliveldspaat en plagioklaas het aandeel kaliveldspaat tussen de 10% en 35% ligt, betitelt als “Monzogabbro”. Relatief lichtgekleurde gabbro’s zonder of met erg weinig kaliveldspaat krijgen wel eens het voorvoegsel “Leuco”, maar dit is geen geologische naam uit het QAPF diagram. In de stenen bevinden zich gewoonlijk grote tabletten van anorthosiet. Vandaar dat ook de naam “Anorthosietgabbro” wel wordt gebruikt. Anorthosiet bestaat bijna geheel uit plagioklaasmineralen, vooral labradoriet. 
Wat de herkomstgebieden betreft, hoeven de stenen niet beslist uit Ångermanland afkomstig te zijn. Dit soort stenen komt inderdaad veel  voor in Ångermanland , maar Huisman wijst er in “Kijk eens omlaag.nl” op dat er ook voorkomens zijn op Åland en dat dit de reden is, dat deze gesteenten relatief veel op de Hondsrug worden gevonden. Ook de bodem van de Botnische Golf zou een herkomstgebied kunnen zijn.
De gesteenten bestaan vaak uit fraaie grote groengrijsblauwe plagioklaastabletten, die vooral aan de buitenkant van een steen opvallend kunnen zijn. Deze plagioklaas is vooral groenachtig van kleur. De blauwe schittering op enkele detailfoto’s geeft aan, dat we hier te maken hebben met labradoriet. De andere mineralen, die tussen de plagioklaastabletten ingeklemd liggen bestaan vooral uit hoornblende, augiet en biotiet. Bij de monzogabbro’s uiteraard aangevuld met kaliveldspaat.
De kaliveldspaat in de monzogabbro’s is ontstaan, doordat granitisch magma uit omringend gesteente tijdens de stolling is binnengedrongen. Ze bevinden zich dan ook vooral aan de randen van de massieven. Rotsen van het moedergesteente komen voor in de omgeving van Nordingrå in Ångermanland.

c. Granofier van Nordingrå

2. Detail van foto 1.

Vooral rond de kaliveldspaten zien we een zeer groot aantal grafische vergroeiingen tussen kwarts en kaliveldspaat

De vele vergroeiingen van kwarts en veldspaat zijn in deze steen met het blote oog al duidelijk zichtbaar. In de grondmassa liggen een aantal rechthoekige en afgeronde rode veldspaten, Naast allerlei granofirische vergroeiingen in de grondmassa zijn er fijngrafische vergroeiingen van kwarts en veldspaat dicht rondom de veldspaten. Naast de kwarts in de vergroeiingen komen ook een groot aantal grijze afgeronde kwartsen voor. Plagioklaas is vooral door de bruinrode kleur onopvallend. Het zwarte mineraal is vooral hoornblende. Het komt voor in aggregaatjes en vormt af en toe met de kwartsen wat pyterlietachtige kransjes om de veldspaten.
Kenmerkend zijn de kleine, witte holteopvullingen van kalk- en of vloeispaat. Hierdoor is het gesteente duidelijk van gesteenten van Åland te onderscheiden.

d. Rapakivigranieten van Nordingrå (1,5 miljard jaren)

Deze rapakivigranieten zijn afkomstig uit het gebied ten noorden van Nordingrå in het kustgebied tussen Sundsvall en Örnsköldsvik. Ze vertonen duidelijk rapakivikenmerken. In alle stenen vinden we duidelijk twee generaties kwarts. (Vrije kwartsen en kwartsen in de fijngrafische vergroeiingen tussen kwarts en kaliveldspaat). De fijngrafische vergroeiingen vinden we zowel langs de randen van de kaliveldspaten als in de grondmassa. De kwarts is vaak wat bruinachtig van kleur. Donkere mineralen (biotiet, hoornblende) en kwarts vormen gewoonlijk kransen rond de vaak hoekige kaliveldspaten, zodat soms een wat pyterlitisch uiterlijk ontstaat. De kaliveldspaten zijn vaak sterk perthitisch. Plagioklaasranden rond de kaliveldspaten komen in onze voorbeelden niet voor. Plagioklaas is gewoonlijk onopvallend aanwezig. Het is grijs van kleur en de hoeveelheden zijn meestal klein. In sommige stenen vinden we insluitsels van calciet.
De Nordingrå-rapakivigranieten worden ook wel eens Ǻngermanlandrapakivigranieten genoemd. Ze komen namelijk uit de provincie Ǻngermanland.

e. Ragundagraniet (Ong. 1,5 miljard jaren)

Ragundagranieten komen voor in de Zweedse gemeente Ragunda in Jämtland t.o.v. Östersund.
De stenen hebben rapakivikenmerken. In een gewoonlijk (zalm)roodachtige grondmassa liggen vaak breedrechthoekige veldspaten, die worden omgeven door grijs tot bruinachtige kwartskorrels. Beide kleuren komen nog al eens voor in dezelfde steen. In sommige variëteiten ligt de kwarts in kransen of in groepjes. Alle type hebben fijngrafische vergroeiingen.
Sommige kaliveldspaten hebben een plagioklaasring. Plagioklaas komt soms weinig voor. Meestal echter ligt het als zelfstandige kristallen in de grondmassa. Het zwarte mineraal is vooral biotiet. Het komt in wisselende hoeveelheden verspreid voor door het gesteente. Vaak is het gehalte niet al te groot.
Nr. 2 is een zure Ragundagraniet. Het gesteente heeft opvallend weinig donkere mineralen.
Ragundagranieten lijken soms op bepaalde Vehmaagranieten. Vehmaagranieten vertonen echter een grafische vergroeiingen tussen kwarts en veldspaat . Ook zijn de kwartsen in Vehmaagraniet donkerder van kleur, dan die in de Ragundagranieten.

f. Ragunda kwartsporfier (1,6 -1,4 miljard jaren)

Kwartsporfieren van Ragunda hebben soms een dichte tot zeer dichte grondmassa. Een aantal typen heeft een wat gespikkelde grondmassa, maar dit is vooral een kenmerk van de granietporfieren. Ook grafische vergroeiingen tussen kaliveldspaat en plagioklaas komen voor. De kleur van de grondmassa is gewoonlijk bruin of roodachtig.
De kaliveldspaten zijn vaak roodachtig of grijs van kleur. Ze kunnen vervuild zijn door de aanwezigheid van andere mineralen. De vorm is vaak rond of eivormig, maar ook typen met rechthoekige veldspaten komen voor. De kleur over het algemeen grijs of roodachtig. Kenmerkend zijn de plagioklaasranden om de kaliveldspaten. Behalve grijsgroenachtig kunnen ze ook rood van kleur zijn. Bij veel typen vormen de kaliveldspaten agglomeraten of liggen ze in groepjes bij elkaar.
Vrije plagioklazen komen niet in alle typen voor. Waar ze wel voorkomen vormen ze vaak ook groepjes.
Kwarts is in wisselende hoeveelheden aanwezig. Vaak zijn de kwartsen klein, rondachtig van vorm en grijs en soms blauw van kleur. Donkere mineralen komen voor in kleine hoeveelheden. Meestal biotiet maar ook hoornblende kan voorkomen.

Ragunda kwartspofier. Als, Dk.
De grondmassa is vrij dicht en iets gespikkeld door grafische vergroeiingen van kwarts en kaliveldspaat en enkele concentraties van donkere mineralen.
In deze steen zijn de kaliveldspaten over het algemeen afgerond of ovaal van vorm. De kleur is grijsachtig maar in allerlei scheurtjes is veel roodbruine kaliveldspaat uit de grondmassa binnengedrongen. Een aantal veldspaten, ook de grijsgroene plagioklazen hebben een rode rand, die waarschijnlijk uit kaliveldspaat bestaat. Een enkele kaliveldspaat heeft een kleine kern van plagioklaas. (Pijl op afb. 10.)
De grijze kwartsen zijn onopvallend en donkergrijs van kleur.

g. Ragunda granietporfier (1,6 -1,4 miljard jaren)

De Ragunda granietporfieren hebben een voor het oog granietische grondmassa. Vaak is dit fijn granietisch, maar ook groffere typen komen voor. Zowel kwarts- als granietporfieren hebben vaak een rood- of bruinachtige .grondmassa. Genoemde grondmassa is vaak zwart gespikkeld door de aanwezigheid van kleine vlekjes hoornblende en/of biotiet. In een aantal typen vinden we grafische vergroeiingen tussen kwarts en veldspaat. De kwartsen in het gesteente zijn vaak grijs van kleur, klein, rond, afgerond of wat eivormig. Langwerpige afgeronde kwartsen zijn kenmerkend voor het gesteente. De veldspaten zijn vaak hoekig. Vaak vormen ze aggregaatachtige groepjes. Soms raken ze elkaar. Een aantal veldspaten heeft gewoonlijk een rode of lichtgekleurde rand. Deze randen kunnen bestaan uit plagioklaas. Ook kunnen veldspaten van plagioklaas voorkomen. In de kaliveldspaten zien we vaak kleine scheurtjes die gevuld zijn met rode veldspaat.
In het gesteente komen vaak xenolieten (insluitsels van een ander gesteente) voor, gewoonlijk van basalt.

Bepaalde typen Ragundaporfieren zijn moeilijk te onderscheiden van exemplaren van Rödö. Ook hier liggen de veldspaten soms in groepjes bij elkaar en hebben bepaalde typen een fijn granietische grondmassa. De kwartsen in Rödöporfieren zijn meestal echter groter dan die in de stenen uit Ragunda. Ook de eivormige vorm ontbreekt in de stenen van Rödö.

Ragunda granietporfier. Als, Dk.
In de roodbruine grondmassa zien we fijngrafische vergroeiingen tussen kwarts en kaliveldspaat. De rondachtig of hoekige kaliveldspaten verschillen in kleur weinig van de grondmassa. Soms hebben ze een vrij duidelijke witte plagioklaasrand. De plagioklazen zijn wit. Sommige hebben een rand van kaliveldspaat. De kwartsen zijn rond en grijs of bruinachtig van kleur. Vooral de grijze exemplaren zijn gebroken. Donkere mineralen komen weinig voor.

Ragunda granietporfier. Fjordmosen Als.
Een steen met een duidelijke rapakivi-achtige grondmassa met fijngrafische vergroeiingen tussen kwarts en kaliveldspaat. De witachtige, door mineralen vervuilde kaliveldspaten zijn rond of ovaal van vorm. Een belangrijk kenmerk van Ragundaporfieren. Ze hebben vaak een wat groenachtige plagioklaasrand. Ook in sommige kaliveldspaten zien we groenachtige plagioklaas. Zelfstandige plagioklaas is niet te vinden. De donkere mineralen (biotiet) hebben soms iets de neiging tot agglomeraatvorming.

h. Ragunda syeniet-/veldspaat porfier.

Ragunda syenietporfieren worden ook wel veldspaatporfieren genoemd. Er zijn dus twee namen voor dezelfde soort stenen. De Ragunda syenietporfieren hebben over het algemeen een dichte tot fijnkorrelige grondmassa. De kleur van de grondmassa is vergelijkbaar met die van de kwarts- en granietporfieren, nl grijsachtig of roodbruinachtig. De grondmassa is vaak wat gespikkeld door de aanwezigheid van donkere mineralen.
De veldspaten liggen ook bij de syenietporfieren vaak in groepjes bij elkaar of vormen aggregaten. De vorm is gewoonlijk rechthoekig. Plagioklaas komt niet of nauwelijks voor.
Bij een toenemend aantal kwartsen vormt het gesteenten overgangen naar de kwartsporfieren. Misschien is in dat geval de naam “veldspaatporfier” een betere keuze dan “syenietporfier”

 

i. Rätangraniet. (1,8 miljard jaren)

Dit gesteente heeft een aantal opvallend grote lichtrode rechthoekige of afgeronde kaliveldspaten. (Microklienperthiet). De veldspaten hebben gewoonlijk een zonaire opbouw. Een deel van de microklien vormt Karlsbader Tweelingen. Binnen de veldspaten komen plagioklaasinsluitsels voor. De meeste plagioklaas vinden we in gewoonlijk rechthoekige tabletten in de tussenmassa. Ook bij deze plagioklazen komt een zonaire opbouw voor.
Verder vinden we in de grondmassa onopvallende grijze kwarts en aggregaten van biotiet en hoornblende. Verspreid door de gehele grondmassa vinden we een grote hoeveelheid kleine gele titanietkorrels, die vooral met een loep goed zichtbaar zijn. Ook vertoont zich wat roodachtige apatiet.
Deze stenen tonen één van de types. Er zijn ook fijnkorreliger en meer roodgekleurde typen.

j. Kwartsmonzoniet: type Gedeformeerde Rätangraniet.

Met de naam “Gedeformeerde Rätangraniet” geeft men een gesteente aan, dat geologisch gewoonlijk thuis hoort bij de kwartsmonzonieten. Het is nog maar de vraag of hier sprake is van een gidsgesteente, omdat de vaste rots van het type gesteente zoals we hier tonen onbekend is en kwartsmonzonieten met veel groene plagioklaas op meerdere plaatsen voorkomen. Bovendien vertoont het gesteente nauwelijks tekenen van deformatie. Alleen de groene kleur van de plagioklaas is een aanwijzing hiertoe.
Met “gedeformeerde Rätangraniet” wordt een gesteente aangeduid met tot 2 cm grote, ronde, roodachtige kaliveldspaten en een in de onderlinge vergelijking met kaliveldspaat dusdanig percentage plagioklaas, dat van een kwartsmonzoniet kan worden gesproken. De aanwezigheid van geelachtige titanietkristallen, die met het blote oog soms duidelijk zichtbaar zijn is een belangrijk kenmerk. Kwarts komt voor in wisselende hoeveelheden. De kleur is grijs of zwakblauw. Het zwarte mineraal is meest biotiet.
Wil men dit gesteente foutloos determineren, dan is de naam “Kwartsmonzoniet” de meest veilige en de juiste, als titaniet ontbreekt.

k. Revsundgraniet. (1,8 miljard)

a. Vaste rots uit Noord-Zweden. 

Revsundgranieten komen wat porfierisch over. De verschillende variëteiten zijn afkomstig uit een groot gebied van wel 18.000 km2.
Revsundgranieten zijn te verdelen in twee variëteiten n.l. rode en grijze Revsundgranieten. (Björnagraniet en Pilgrimstadgraniet) Het zijn groffe bonte gesteenten met over het algemeen grote breedrechthoekige kaliveldspaten. Ze zijn over het algemeen arm aan insluitsels. Deze kaliveldspaten zijn meestal z.g. Karlsbader Tweelingen. Vaak liggen de veldspaten lineair gerangschikt. (Bijv. nr. 6)
De grondmassa is grofkorrelig. De kwartsen zijn tot 1 cm groot en blauwachtig, lichtgrijs of bruingeel van kleur.De korrelgrenzen tussen kwarts en veldspaat zijn onregelmatig. De plagioklaaskristallen wit tot licht groenachtig van kleur en soms tot 2 cm groot. Biotiet is aanwezig in grote zwarte aggregaten. Soms bevat het gesteente ook granaten.

b. Zwerfstenen

l. Revsundgraniet. Type: Sörvikgraniet.

Sörvikgraniet is afkomstig uit het grensgebied van Ångermanland en Jämtland. Deze variëteit van Revsundgraniet verschilt nogal in uiterlijk. Het gesteente is over het algemeen grijsachtig van kleur. Deze kleur wordt vooral bepaald door de kaliveldspaten. De grote veldspaten liggen soms wat in rijen of aggregaten. De donkere kwartsen zijn sterk afgerond. De kwarts is grijs of iets blauwachtig van kleur. Lichtgekleurde plagioklaas komt vrij veel voor. De graniet is opvallend gevlekt door aggregaten van donkere mineralen. Sörvikgraniet verweert gemakkelijk en krijgt dan aan de buitenkant een roodachtige kleur.

m. Sorselegraniet (1800 miljoen jaren)

Sorselegranieten zijn afkomstig uit het noorden van Zweden in de buurt van de stad Arvidsjaur.
Het gesteente is nog niet zo lang bekend. Ze komen voor in een uitgestrekt gebied en er zijn een groot aantal verschillende typen. Eerst dacht men, dat voorkomens in Nederland zeer zeldzaam zouden zijn, maar inmiddels in gebleken, o.a. door vondsten van dhr. Harry Huisman, dat het gesteente met name in de omgeving van de Drentse Hondsrug veel meer voorkomt dan dat eerst werd gedacht. Dat er tot voor kort geen vondsten waren zal er ongetwijfeld mee te maken hebben, dat men het gesteente niet kent, maar ook omdat de zwerfstenen aan de buitenkant vaak dusdanig verweerd en lelijk zijn, dat men er geen aandacht aan besteedt.
Bepaalde typen Sorselegraniet vertonen op het eerste gezicht aan de buitenkant nog al eens overeenkomsten met bepaalde typen van Venjanporfiriet. (Gruvåsen). Op plaatsen waar Sorselegranieten zijn te verwachten kan men dan ook de Venjanachtige stenen wat extra aandacht geven. Bij nadere bestudering zijn er echter duidelijke verschillen. In het gebied van herkomst van de Sorselegraniet zijn ook bepaalde voorkomens van Revsundgraniet. De aanwezigheid van Revsundgranieten in een zoekgebied kan een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van Sorselegranieten. Wij geven hier in het kort de voornaamste kenmerken.

9. Detail van 7.

Sorselegraniet. Losse steen omgeving Sorsele.

10. Detail van 8.

A = rand kwarts 2e generatie. B = groenachtige plagioklaas C = roodachtige kaliveldspaat. D. Kwarts 1e generatie. Deze kwarts is onopvallend.

Het gesteenteoppervlak is vaak grijsachtig, grijsachtig-bruin, grijsachtig-rood of iets bruin-roodachtig van kleur.
In de grondmassa ligt een groot aantal kleine veldspaten. De kaliveldspaten zijn vaak wat roodachtig. Soms hebben ze een rand van plagioklaas. De plagioklazen zijn vaak wat groenachtig. Een aantal heeft een witte rand, die soms rhombenvormig is. De randen van de veldspaten zijn opvallend. Het lijkt op het eerste gezicht, dat veel veldspaten een bruinachtige rand hebben. Als men het gesteente met de loep bekijkt is er van een rand weinig meer over en ziet men langs de randen kleine naalden van een donker mineraal. (Hoornblende)
Kwarts komt voor in twee generaties. Het percentage is klein. De 1e generatie bestaat uit kleine korrels van ten hoogste enkele mm grootte, die met het blote oog zichtbaar zijn. De kwartsjes van de 2e generatie zijn vaak alleen maar met een loep zichtbaar. Soms vertonen ze grafische vergroeiingen met de kaliveldspaat.
De donkere mineralen (biotiet en amfibool)) vertonen zich (vooral op een zaagvlak) in aggregaten en kleine naaldjes. Zowel aggregaten als naaldjes zijn opvallend. Ze liggen in de grondmassa, maar komen bij de meeste typen vooral voor langs de randen van de veldspaten, waar ze opvallende delen van cirkels vormen.
Sorselegranieten zien er aan de buitenkant niet fraai uit. Gezaagd en gepolijst zijn ze vaak een stuk aantrekkelijker om te zien.

Terug naar:Noord-Zweden/Botnische Golf