Selecteer een pagina

Dieptegesteenten (Plutonieten)

U bevind zich hier: Home » Steensoorten » Stollingsgesteenten » Dieptegesteenten Algemeen (stollingsgesteenten)

a. Algemeen   –   b .Diorieten   –   c. Granieten   –   d. Granodiorieten   –   e. Monzonieten   –   f. Syenieten

Deze gesteenten zijn gevormd door stolling van het aardmagma op een aantal kilometers diepte. Over het algemeen zijn ze langzaam en gelijkmatig afgekoeld, waardoor de mineralen allemaal goed zijn uitgekristalliseerd en er een gesteente met een gelijkkorrelige structuur is ontstaan. Tijdens het stollingsproces stollen alle mineralen echter niet bij dezelfde temperatuur. De mineralen die stollen bij de hoogste temperaturen hebben binnen het magma alle ruimte om uit te kristalliseren in de door hen gewenste vorm. Men noemt dit idiomorfe kristallen. De mineralen die pas stollen bij een lagere temperatuur moeten zich tevreden stellen met de overgebleven ruimten. Zij kunnen in die tussenliggende ruimten meestal geen eigen kristalvorm ontwikkelen maar moeten zich “aanpassen”. Zulke mineralen zonder eigen kristalvorm noemt men allotriomorf.

Ook de afkoelingssnelheid van het magma is belangrijk. Hoe langzamer het magma afkoelt, des te groter kristallen er worden gevormd. Aan de hand van de snelheid van afkoeling worden gesteenten dan ook ingedeeld in fijnkorrelig, middelkorrelig en grofkorrelig.
Magma verschilt heel erg in samenstelling. De bestanddelen (gesteente vormende mineralen) zijn vaak heel verschillend. Juist deze bestanddelen bepalen de aard van het gesteente dat zal ontstaan bij stolling. Naast deze kenmerkende mineralen, zijn er in elk gesteente andere mineralen in kleine hoeveelheden aanwezig. Men noemt dit assessorische mineralen.
Aan de hand van de aanwezigheid van bepaalde kenmerkende mineralen zijn de diepte gesteenten te verdelen in vier hoofdgroepen: graniet, dioriet, gabbro en syeniet. Elk hoofdtype heeft subtypen. Bovendien zijn er allerlei overgangstypen.

De grote magmalichamen, die in het onderste deel van de aardkorst zijn doorgedrongen en daar langzaam afkoelen tot dieptegesteenten, noemt men batholieten. Deze batholieten kunnen sterk in grootte verschillen. De grootte kan variëren van enkele honderden km2 tot wel 25.000 km2. Soms probeert het magma ten gevolge van hoge druk, door de aardkorst  heen te breken. Dit lukt echter niet altijd. In dat geval stolt het magma in de aardkorst en ontstaan z.g. ganggesteenten. De ruimtes (vaak gangen en spleten), waarin dit proces plaatsvindt, noemt men laccolieten. (Zie verder bij “Ganggesteenten”). Na beëindiging van het stollingsproces kan de soms enkele tientallen km dikke aardkorst door erosie verdwijnen en komen de gevormde gesteenten aan het aardoppervlak te liggen.

b. Diorieten. (Meest > 1 miljard jaren)

Diorieten bestaan voornamelijk uit de mineralen plagioklaas en amfibool (hoornblende). Deze hoornblende kristallen zijn meestal aaneengegroeid tot aggregaten. Ze zijn altijd donker van kleur. Het gesteente vertoont gewoonlijk dan ook een bont, zwartwit, gevlekt uiterlijk. Soms kan er ook wat biotiet en augiet  in het gesteente voorkomen, evenals kwarts. Monzodioriet is een variant met roodachtige kaliveldspaat. Tussen dioriet en graniet bestaan overgangen. In de zwerfsteenkunde gebruikt men hiervoor de naam granodiorieten. Deze gesteenten hebben naast de gebruikelijke diorietvormende mineralen een vrij groot gehalte aan kwarts en kaliveldspaat. (orthoklaas

De foto hiernaast toont een witte verweerde buitenkant van een dioriet.

Diorieten vertonen als zwerfsteen nog al eens een poederige aanblik. Dit komt doordat de plagioklaas aan de oppervlakte van de steen snel verweert. Diorieten en gabbro’s zijn wel eens moeilijk van elkaar te onderscheiden. Een vuistregel is, dat in diorieten plagioklaas in duidelijk groter percentage aanwezig is dan de donkere mineralen. Bij gabbro’s is dit net andersom. Ook is de amfibool in dioriet meestal zwart van kleur. Bij gabbro’s is de kleur vaak iets groenachtig.

Microdiorieten

De zeer fijnkorrelige grondmassa van micro diorieten bestaat uit dezelfde mineralen als dioriet. nl plagioklaas en hoornblende. Vanwege de op apliet lijkende structuur noemde men dit soort stenen lange tijd “Diorietapliet”.  Dit was echter een foute benaming omdat de mineralogische samenstelling van apliet anders is.

In de geologie worden tegenwoordig de gesteenten, die in de zwerfsteenkunde de naam diorieten hebben gekregen, ingedeeld in verschillende soorten. De naam dioriet krijgen alleen de stenen, waarvan de “lichtgekleurde” mineralen (veldspaten en kwarts) voor minder dan 5% uit kwarts bestaan en die geen of zeer weinig kaliveldspaat bevatten. (<10%) Is in de onderlinge verhouding tussen kaliveldspaat en plagioklaas het aandeel van de plagioklaas tussen 65% en 90% dan spreekt men van een monzodioriet. Het voorvoegsel “Monzo” gebruikt men als een gesteente mineralen bevat, die er eigenlijk niet in thuis horen. Bij een groter percentage kwarts (< 20%) spreekt men van een kwartsdioriet. Bij andere mineraalverhoudingen hanteert men nog weer andere namen.

c. Granieten. (Tussen 1,9 -0,3 miljard jaren)

Graniet is het meest voorkomende stollingsgesteente. Het komt voor in allerlei vormen, structuren en kleuren. Het gesteente bestaat vooral uit kaliveldspaat. (orthoklaas, microklien). Verder behoren kwarts en biotiet tot de vast voorkomende mineralen. In verreweg de meeste granieten komt bovendien meer of minder plagioklaas voor. Ook hoornblende komt veel voor. Vaak samen met biotiet. Deze mineralen vullen gewoonlijk de ruimten die zijn overgebleven na stolling van de kaliveldspaten. Verder bevat het gesteente gewoonlijk nog allerlei assessorische mineralen. Deze mineralen spelen nog al eens een rol bij het determineren van het gesteente. Bijv. het voorkomen van titaniet in Rätangraniet.
Als het kwartspercentage van kwarts en veldspaten als totaal niet meer dan 5% bedraagt, dan noemt men het gesteente een syeniet . Als van de veldspaten het percentage plagioklaas tussen de 35% en 65% ligt, spreken we van een monzoniet. Uitzonderingen op deze regel zijn de vele gidsgesteenten, die ook bij afwijkende percentages hun namen uit de zwerfsteenkunde behouden.
Soms bevat het gesteente bijna geen donkere mineralen. We spreken dan van een zure graniet. Veel granieten tonen op een of andere manier deformatieverschijnselen. (bijv. suikerkorrelige kwarts of gelaagdheid). Als de deformatieverschijnselen duidelijk naar voren komen spreken we van een gneisgraniet. De Loftahammergneisgranieten en de Bornholmstreepgranieten zijn daarvan goede voorbeelden. De meest opvallende granieten zijn waarschijnlijk de rapakivi’s.
We tonen hier een aantal variëteiten. Enkele van het enorme aantal soorten.

Niet alle stenen die in de zwerfsteenkunde als graniet worden beschouwd behoren geologisch ook bij de granieten. Sorselegranieten behoren bijvoorbeeld door hun geringe kwartsgehalte vaak tot de Kwartssyenieten. Rönnegranieten zijn vaak Granodiorieten omdat de steen veel meer plagioklaas dan kaliveldspaat bevat. 

Geel is Syenograniet.  Oranje = Monzograniet. 

Granieten zijn ook aan de buitenkant vaak goed herkenbaar. De gewoonlijke rode, roodbruine of lichtgekleurde kaliveldspaten vallen meestal goed in het oog. De plagioklaas is vaak lichtgekleurd of groenachtig, de kwarts glinstert en biotiet en/of hoornblende veroorzaken donkere stippen of vlekken. We tonen enkele voorbeelden.

d. Granodiorieten.

Granodioriet is een overgangsgesteente tussen graniet en dioriet. De meest voorkomende mineralen in dioriet (plagioklaas en hoornblende) worden in dit gesteente aangevuld met kaliveldspaat en kwarts, waarbij het percentage plagioklaas duidelijk groter is dan dat van de kaliveldspaat. Zwerfstenen van Granodioriet vertonen aan de buitenkant nog al eens bruine roestvlekken. Op foto 1 is dit linksboven goed zichtbaar.
De naam granodioriet wordt weer bepaald door de onderlinge verhoudingen van kwarts, alkaliveldspaat en plagioklaas. Ruwweg kunnen we zeggen, dat wanneer in een dergelijke steen matig tot veel kwarts voorkomt en er in de steen ongeveer twee keer zoveel lichtgekleurde plagioklaas voorkomt dan meestal roodachtige kaliveldspaat, we te maken hebben met een granodioriet. Het percentage donkere mineralen is hierbij niet belangrijk. 

Hieronder tonen we het veld van de granodiorieten in het QAPF-diagram.

e. Monzonieten

Monzonieten en Kwarts-Monzonieten zijn eigenlijk granieten met relatief veel plagioklaas en weinig tot geen kwarts. (Zie QAPF-diagram) De meest voorkomende mineralen zijn plagioklaas en kaliveldspaat. De plagioklaas is meestal licht van kleur, maar kan ook groenachtig zijn, zoals bijv. in Zweedse variëteiten. Donkere mineralen komen voor in de vorm van pyroxeen en biotiet. Deze mineralen kunnen zowel zwarte korrels als aggregaten vormen. Voor de zwerfsteenverzamelaar, die gewapend met een loep of binoculair de onderlinge percentages van kwarts, kaliveldspaat en plagioklaas moet vaststellen is juiste determinatie bij grensgevallen wel eens lastig. Een eenvoudiger regel die men wel hanteert is dan ook, dat in een monzoniet het gehalte aan plagioklaas minstens even hoog moet zijn dan dat van de kaliveldspaat. De monzonieten met groenachtige plagioklaas zijn nogal eens moeilijk te onderscheiden van het type “Gedeformeerde Rätangraniet. Deze stenen bevatten echter kleine witgele korreltjes van titaniet, die vaak met het blote oog al zichtbaar zijn.

f. Syenieten

Syenieten zijn volgens Smed gesteenten met meer al kaliveldspaat dan plagioklaas. Hellinga spreekt van “een graniet waarin de kwarts ontbreekt”. Net als de monzonieten vertonen syenieten wat samenstelling betreft veel overeenkomsten met graniet. Het kwartspercentage van de licht gekleurde mineralen moet in syenieten en syenitische gesteenten echter < 20% zijn anders behoort de steen waarschijnlijk bij de granieten.
Over het algemeen zijn syenieten lichtgekleurde dieptegesteenten, die vooral uit alkaliveldspaat bestaan.
Een tweede soort syenieten zijn de nefeliensyenieten. In deze syenieten is kwarts vervangen door nefelien. Dit is het geval, als zich in het magma waaruit de steen is ontstaan te weinig SiO2 aanwezig was voor uitkristallisatie van alkaliveldspaten.Uit het restmagma ontstaat dan nefelien.
Nefelien is wit, grijs of bruin van kleur en heeft een glasachtige glans.
Donkere mineralen kunnen in beide soorten syenieten in ruime mate aanwezig zijn in de vorm van biotiet, pyroxeen en amfibool. De beide laatste mineraalsoorten komen we vooral tegen in de nefeliensyenieten uit het Oslogebied.
Soms komt in syenieten zichtbare plagioklaas voor. Dergelijke stenen worden wel aangeduid met de naam Monzosyeniet.

Terug naar Stollingsgesteenten.

Contact opnemen?

14 + 6 =

Statistieken

086791
Gebruikers vandaag : 43
Deze maand : 1234
Totaal gebruikers : 8296