Selecteer een pagina

Ganggesteenten Algemeen

a, Aplieten   –   b. Granofieren   –   c. Granietporfieren   – 
d. Pegmatieten granietisch   –   e. Gabbro pegmatieten   – 
f. Schriftgranieten

U bevind zich hier: Home » Steensoorten » Stollingsgesteenten » Ganggesteenten Algemeen (stollingsgesteenten)

Ganggesteenten worden gevormd tussen het aardoppervlak en een magmahaard. De vorming vindt dus plaats op geringere diepte dan het ontstaan van dieptegesteenten. Ze staan eigenlijk tussen dieptegesteenten en uitvloeiingsgesteenten in en bevatten eigenschappen van beide soorten gesteenten. Vaak vindt vorming plaats op plekken, waar het magma heeft geprobeerd door de aardkorst heen te breken, maar waar dit niet is gelukt. Door deze activiteiten ontstaan er vaak allerlei scheuren, spleten (gangen) en ruimtes, waarin onder hoge magma wordt geperst. Afhankelijk van de afkoelingssnelheid en de samenstelling van het magma ontstaan onder grote constante druk een aantal gesteenten, die er sterk verschillend kunnen uitzien. Gewoonlijk is de afkoelingssnelheid sneller dan bij de dieptegesteenten waardoor fijnkorrelige gesteenten ontstaan zoals bijv. apliet. Er kunnen echter ook sterk grofkorrelige gesteenten worden gevormd, zoals pegmatiet. Ook echte dieptegesteenten en gesteenten die gewoonlijk thuishoren bij de uitvloeiingsgesteenten kunnen voorkomen als ganggesteenten. (Bijv. Rhombenporfier) Er zijn echter ook een aantal specifieke ganggesteenten met eigen kenmerken. Ze worden beschouwd als een variant van de dieptegesteenten. We zullen in de volgende hoofdstukken aandacht besteden aan de meest voorkomende speciale typen ganggesteenten namelijk aplieten, pegmatieten, granofieren, en granietporfieren.
Vanwege de vele vormen wordt het ganggesteente diabaas in een apart hoofdstuk besproken.

Waar vormen zich ganggesteenten?
A toont een magmahaard. Bij stolling verandert deze haard in een batholiet. Dit is een zeer groot lichaam, dat bestaat uit een kristallijn gesteente. Dit zijn de grootste gesteentelichamen in de aardkorst. Ze kunnen vele duizenden km2 groot zijn.
B is het aardoppervlak.
C = Rotsbodem die uit verschillende gesteenten bestaat.
D = Laccoliet. Een laccoliet is een groot magmalichaam niet ver onder het aardoppervlak. Deze grote magmalichamen koelen niet al te snel af, waardoor dieptegesteenten ontstaan. Ze zijn lensvormig met de ronde kant aan de bovenkant. Vaak worden bovenliggende lagen iets omhoog geduwd, waardoor een verhoging aan het aardoppervlak ontstaat.
E = Sill. Sills zijn dunne plaatvormige intrusielichamen van magma die via een gang omhoog zijn gestuwd. Ze ontstaan doordat magma zich niet verder verticaal door een bestaande rotslaag kan verspreiden, waardoor een horizontale uitbreiding plaats vindt. Sills kunnen heel klein zijn maar ook honderden meters dik en zich over veel kilometers uitstrekken.
F = Dikes. Dikes zijn verticale breuken in de aardkorst. Ze zijn ook zichtbaar aan het aardoppervlak, waar ze zeer lange gangen kunnen vormen van ganggesteente. Ze kunnen van heel smal tot honderden meters breed zijn en een lengte hebben van honderden kilometers.

a. Aplieten

Aplieten zijn  fijnkorrelige ganggesteenten, die praktisch geheel bestaan uit kaliveldspaat en kwarts. Plagioklaas en donkere mineralen zoals biotiet zijn gewoonlijk niet of slechts in zeer kleine hoeveelheden aanwezig. Soms bevatten de stenen een beperkt aantal veldspaateerstelingen.  Aplieten zijn soms moeilijk te herkennen. Alleen als tussen kwarts en alkaliveldspaat, eventueel met een loep, grafische vergroeiingen zichtbaar zijn weet men dat de steen tot de aplieten behoort.  De fijnkorreligheid is ontstaan, doordat aplieten in tegenstelling tot pegmatieten snel zijn gestold. Ze zijn gewoonlijk ontstaan uit een granitisch, waterarm restmagma, dat zich in smalle gangen en spleten in reeds gestold gesteente bevond. Het stollingsproces vond voor de aanwezige mineralen tegelijk plaats, waardoor de kristallen niet volledig zijn en als een soort mozaïek in elkaar passen.
Aplieten hebben meestal een wit/grijze of roodachtige kleur, waardoor vergissingen met zandsteen mogelijk zijn.
Aplietgangen zijn smal. Gewoonlijk niet breder dan 50 cm. De randen van deze gangen lopen gewoonlijk opvallend parallel. In veel dieptegesteenten komen apliet en pegmatiet gezamenlijk voor. Soms zelfs samen in één gang. Het ene gesteente vult dan het midden van een gang en het
andere gesteente de randen.
Er bestaan ook fijnkorrelige gesteenten die veel op apliet lijken, maar die naast kwarts en alkaliveldspaat ook plagioklaas en meer dan 5% biotiet bevatten. In dat geval spreken we van microgranieten. Voorheen noemde men zulke gesteenten wel “aplietgranieten”, maar deze term is verouderd.
Hetzelfde geldt voor diorieten en gabbro’s. Als dit soort stenen een zeer fijne grondmassa had sprak men van dioriet-aplieten of gabbro-aplieten. Tegenwoordig zijn het micro-diorieten en micro-gabbro’s.

Met betrekking tot de geologische benaming zullen de aplieten vooral thuishoren in het veld  van de alkaliveldspaat granieten.  Dit vanwege hun met granieten vergelijkbaar kwartsgehalte en het zeer geringe percentage aan plagioklaas.

b. Granofieren

Een granofier is een ganggesteente, waarin de lichtgekleurde mineralen overheersen. (Felsisch) In het gesteente overheerst kwarts. In de petrologie/geologie hanteert men een percentage van minimaal 68%. De rest van het gesteente bestaat vooral uit veldspaat. Donkere mineralen zijn praktisch niet aanwezig.
Granofieren komen weinig voor. Ze vormen een tussenvorm tussen het dieptegesteente graniet en het uitvloeiingsgsteente kwartsporfier (rhyoliet) Meestal worden de twee laatstgenoemde namen gebruikt. De naam granofier wordt dan ook niet meer algemeen gebruikt, maar komt in de zwerfsteenkunde nog wel voor.
De grondmassa van granofieren heeft een mircografische textuur. Dat houdt in, dat deze grondmassa bestaat uit zeer fijne vergroeiingen van kwarts en veldspaat, te vergelijken met schriftgraniet.
In deze grondmassa kunnen kristallen voorkomen van kwarts en veldspaat. Bekende granofirische gesteenten uit de zwerfsteenkunde zijn de Botnische granofier, de granofierische Ålandrapakivi en de granofierische Drammengraniet.
Van de door ons getoonde steen is het herkomstgebied onbekend.

c. Granietporfieren

Granietprofieren hebben hetzelfde mineralenbestand als granieten en hebben ook een granitische samenstelling. Verschil met graniet zijn de vaak opvallende porfirische eerstelingen, die in een fijngranitische grondmassa liggen. Granietporfieren zijn van porfieren te onderscheiden door hun fijnkorrelige grondmassa. Als de grondmassa voor het oog dicht is spreken we van een porfier en is er waarschijnlijk sprake van een uitvloeiingsgesteente, waarvan de grondmassa is gestold aan het aardoppervlak. We spreken van granietporfieren als we met het blote oog in de grondmassa afzonderlijke mineralen kunnen onderscheiden. De stolling van granietporfieren is in de diepte begonnen als een normaal dieptegesteente. Daarbij hebben zich de porfierische eerstelingen gevormd. Vervolgens is het magma in een gang of spleet geperst. Hier ging de afkoeling veel langzamer dan bij porfieren waar de grondmassa aan het aardoppervlak zeer snel stolt. Door deze langzamere afkoeling konden de mineralen nog enigszins uitkristalliseren, waardoor een fijnkorrelig porfierachtig gesteente ontstond. Granietporfieren zijn veel voorkomende gesteenten. Smålandporfieren zoals Emarpporfier en Påskalavikporfier zijn eigenlijk granietporfieren, evenals verschillende kwartsporfieren van de Ălandeillanden, maar ze komen ook voor in andere gebieden.

Granietprofieren hebben hetzelfde mineralenbestand als granieten en hebben ook een granitische samenstelling. Verschil met graniet zijn de vaak opvallende porfirische eerstelingen, die in een fijngranitische grondmassa liggen. Granietporfieren zijn van porfieren te onderscheiden door hun fijnkorrelige grondmassa. Als de grondmassa voor het oog dicht is spreken we van een porfier en is er waarschijnlijk sprake van een uitvloeiingsgesteente, waarvan de grondmassa is gestold aan het aardoppervlak. We spreken van granietporfieren als we met het blote oog in de grondmassa afzonderlijke mineralen kunnen onderscheiden. De stolling van granietporfieren is in de diepte begonnen als een normaal dieptegesteente. Daarbij hebben zich de porfierische eerstelingen gevormd. Vervolgens is het magma in een gang of spleet geperst. Hier ging de afkoeling veel langzamer dan bij porfieren waar de grondmassa aan het aardoppervlak zeer snel stolt. Door deze langzamere afkoeling konden de mineralen nog enigszins uitkristalliseren, waardoor een fijnkorrelig porfierachtig gesteente ontstond. Granietporfieren zijn veel voorkomende gesteenten. Smålandporfieren zoals Emarpporfier en Påskalavikporfier zijn eigenlijk granietporfieren, evenals verschillende kwartsporfieren van de Ălandeillanden, maar ze komen ook voor in andere gebieden.

d. Pegmatieten. Granitisch.  ( > 1 miljard jaren)

Pegmatieten zijn gewoonlijk grofkorrelige gesteenten. Er zijn zelfs kristallen mogelijk met de doorsnede van enkele meters. Dit zijn echter uitzonderingen en tussen de zwerfstenen zullen we ze niet tegenkomen. Pegmatieten zijn overwegend granitisch van samenstelling. Ook mafische gesteenten zoals gabbro en dioriet kunnen echter op een dusdanige wijze stollen, dat er een pegmatiet ontstaat. Het zelfde geldt voor alkaliveldspaat syenieten zoals nordmarkiet en larvikiet.
Pegmatieten en aplieten komen vooral voor in gangen.
Zoals reeds vermeld zijn de meeste pegmatieten gevormd vanuit een granitisch magma. Ze bevatten gewoonlijk dezelfde mineralen als graniet namelijk alkaliveldspaat (perthitische microklien) kwarts en biotiet. Deze granitische pegmatieten vormen vaak een fraai kleurencontrast van gewoonlijk rode alkaliveldspaat en melkkleurige of heldere kwartsklonters. Gewoonlijk bevatten de stenen ook wat biotiet. Mica is ook nog al eens aanwezig.
Bij de vorming van pegmatieten schijnen twee factoren een rol te spelen, namelijk een zeer langzame afkoeling bij constante druk en de grote vloeibaarheid van het magma, waaruit de pegmatiet wordt gevormd. Vloeibaarheid van magma wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van relatief veel vluchtige stoffen zoals water. In het laatste deel van de uitkristallisatie schijnen deze vluchtige stoffen het restmagma dunner te maken waardoor de atomen zich beter kunnen bewegen en gelijksoortige elementen gemakkelijker aan elkaar kunnen klonteren. Bovendien ontstaan door de langzame afkoeling slechts weinig nieuwe kernen, zodat de kristallen een extreme grootte kunnen bereiken.
Pegmatieten zijn bekend vanwege het feit, dat ze soms zeer zeldzame mineralen bevatten.
Ook dit is het gevolg van het dunner worden van het magma. Vanwege het grote percentage vluchtige stoffen, kunnen de in het magma zwevende elementen zich aansluiten bij reeds bestaande kristallen van dezelfde soort en hechten ze niet aan bij kwarts- of veldspaatkristallen.
Er is een theorie, die er van uit gaat dat pegmatieten bij hun vorming vijf stadia kunnen doorlopen. Verreweg de meeste pegmatieten zijn gevormd in het eerste stadium. Slecht enkele doorlopen alle stadia. Hoe meer stadia worden doorlopen des te meer zeldzame mineralen voorkomen. Omdat slechts een zeer klein deel bij het stollingsproces alle stadia doorloopt, is het aantal exemplaren met zeldzame mineralen zeer klein.

Naast de granitische pegmatieten komen ook schriftgraniet, alkali syenietpegmatiet, gabbro-pegmatiet en vlammenpegmatiet aan de orde. Alkalisyenietpegmatiet en vlammenpegmatiet worden bij de herkomstgebieden behandeld.

e. Gabbro pegmatieten

Basisch magma bevat minder vluchtige stoffen dan felsisch (granitisch) magma. Dit betekent, dat dit magma een minder gunstige samenstelling heeft voor de vorming van pegmatieten dan het dunne granitische magma. Desondanks vormen ook mafische gesteenten als gabbro en dioriet in gangen en spleten soms pegmatieten, hoewel deze stenen beduidend zeldzamer zijn dan de granitische pegmatieten.
De meest voorkomende mineralen in deze gesteenten zijn lichtgekleurde plagioklaas, augiet en de hoornblende variëteit oeraliet, die ontstaan ten gevolge van omzetting. Vaak ontstaat deze omzetting in zeer oude gesteenten.

f, Schriftgranieten. (> 1 miljard jaren)

Schriftgraniet is een bijzondere vorm van granitische pegmatiet. Er is bij deze pegmatieten sprake van een vergroeiing tussen veldspaat en kwarts. De verhouding tussen beide mineralen is bij schriftgranieten gewoonlijk ongeveer gelijk n.l. veldspaat 75% en kwarts 25%. Afhankelijk van de richting waarin met het gesteente bekijkt ontstaat of een beeld met runenachtige vergroeiingen of er vertonen zich afwisselend parallelle strepen van microklien en kwarts. Over de ontstaanswijze van schriftgranieten bestaan verschillende meningen. De vergroeiingen schijnen op verschillende manieren te kunnen ontstaan, zowel door gelijktijdige kristallisatie als door latere omzetting. Evenals de “gewone” granitische pegmatieten zijn ook schriftgranieten uit een restmagma ontstaan in scheuren en gangen. Gewoonlijk zijn ze roze van kleur maar er komen ook witte exemplaren voor. Er zijn zowel fijne als groffe typen. Soms zijn schriftgranieten fraaie stenen, maar dit geldt niet voor alle exemplaren. De kans op een vondst van een mooi exemplaar is niet zo erg groot.

Terug naar Stollingsgesteenten